Pieter Wiedijk (onder pseud. J. Saks)

De boer op!


Bron: De Nieuwe Tijd, 2e jaargang (1897/1898), pp. 218-227, pp. 338-348, 3e jaargang (1898/1899), pp. 41-46, 234-249.
Deze versie: Spelling Nederlands aangepast.
Transcriptie: Wim Seegers
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
De Duitse Boerenoorlog
Het Hollandse verkiezingsprogram ten gunste van het landvolk
Het boerenvraagstuk in Frankrijk en Duitsland

Deel 1

I.

Hier zowel als elders ziet de sociaaldemocratie zich in letterlijke zin gesteld voor de opgave, waarvan de overdrachtelijke vervulling nog enkele jaren slechts geleden door hun klassengenoten aan onze radicalen tot verwijt kon worden gemaakt: de boer op te gaan met hun beginselen. Niets kan duidelijker dan deze beschuldiging van opdringend politiek onfatsoen de kalme gezetenheid en de geposeerde klassenmanieren van onze bourgeoisie illustreren. Het was zeker tegen de burgerlijke regel om sociale hervormingen te vragen voor de “mindere man”, maar het kon desnoods verontschuldigd worden als een jeugdige uitspatting van politieke edelmoedigheid. Vloeken deed het evenwel tegen de eerwaarde zede van de sociale conversatie, om zich bij een andere dan de feestelijke gelegenheid van de herkiezing van de burgerlijke kandidaten op kosten van politieke plichtplegingen te jagen buiten de gewone kring van het stedelijke stemvee of zijn vertrouwelijkheid in de intiemere zaken van staat uit te strekken buiten de binnenkamers van de Heren- en Keizersgracht, die zich daar slingeren om het Paleis als gordels van intellect. Het mocht onverstandig zijn tegen zijn eigen vlees en bloed op te staan, het was proleterig de bijzonderheden van deze familietwist aan de lange neuzen van een plattelandsvergadering of de bleke van een dubbeltjespubliek te gaan hangen. Het was zich aanstellen als socialisten van wie de ontoerekenbaarheid hen tenminste het voordeel gaf van zich niet te kunnen compromitteren. De socialisten intussen maakten school en hun kleine macht over de politieke feiten bleek in de eerste plaats uit hun grote invloed op de politieke manieren. Zich democratisch aan te stellen door tegen het “volk” te gaan praten, bezorgt nu zelfs geen oud-liberale reputatie een smet van radicalisme. De kleine man in de stad of op ’t land vooral, had vroeger geen andere troost in zijn tegenspoed dan de gedachte, dat in de Kamer een verre vriend van hem zat: nu heeft hij bovendien deze voldoening, van tijd tot tijd zijn man te zien van aangezicht tot minzaam aangezicht. De meest zelfgenoegzame “volksvertegenwoordiger” die zijn opgave om geen ruggespraak te houden met zijn kiezers, opvatte als een uitnodiging om alles achter hun rug te bespreken, heeft nu zijn periodieke vlagen van politieke mededeelzaamheid. Het tot voor een eeuw politiek onmondig gehouden en sindsdien veronachtzaamde platteland gaat een gouden tijd beleven en staat, nu zijn conservatieve gezindheid verslapt, het terrein van grote politieke bedrijvigheid te worden. Het is, met elke censusverlaging meer, binnen de sfeer van het parlementaire stelsel getrokken, dat ten minste de tendens heeft, de strijd van de kwalitatief verschillende belangen langs kwantitatieve weg te beslechten; en het stembiljet, tot welke ongerieflijkheden zijn stoffelijke verschijning aanleiding moge geven, het stembiljet stinkt niet. Zelfs in het donkerste Limburg kan men het klimmende respect ook voor de boer-kiezer, afmeten aan de groeiende neiging van de aspirant Kamerleden om in de handel van de politiek de politiek van de handel te gebruiken en ziet men op dezelfde advertentiepagina de boer hun zijn kaas en zij hem hun personen aanbevelen met een mengsel van stadse minzaamheid en landelijke goedrondheid. En niettemin blijft deze concessie zover beneden wat de gewoonte langzamerhand als betamelijk gestempeld heeft, dat voor enigszins geciviliseerde neuzen beide Limburgse waren – politiek en kaas – in dezelfde reuk staan, deze: “dass sie alle Beide stinken”.

***

Hier zowel als elders, maar hier met de lomere beweging, die behoort bij het latere ontwaken van onze klassenstrijd, gaat de scheiding zich voltrekken tussen de agrarische en de industriële helft van de “sociale kwestie”; de met matige ijver gevoerde propaganda van de kerkelijke partijen voor graanrechten, de antiprotectionistische van de liberalen en het gedeeltelijk agrarisch program, waarmee de SDAP haar succes heet behaald te hebben, gaven in de jongste verkiezingsstrijd in Hollandse afmetingen de agrarische strijd van onze buren te zien. Al is hier evenmin als elders de kwestie als opgelost te beschouwen, wat, nu door de uitbreiding van het kiesrecht het platteland te bewerken is met kans ook op politieke resultaten, naast de algemeen-socialistische de bijzondere propaganda moet inhouden, in verband met de zeer bijzondere stelling van de buitensteedse bevolking in de klassenstrijd – daar als hier is het inzicht in de noodzakelijkheid om haar te dwingen tot partij kiezen en zijn de verhoudingen rijp om haar voor een belangrijk gedeelte te nopen tot het kiezen van onze partij. Sedert het kapitalistische exploitatiesysteem ook op de bodem is toegepast, heeft zich een landelijk proletariaat ontwikkeld, op overeenkomstige wijze als het industriële gescheiden van het productiemiddel en voor zijn levensonderhoud uitsluitend aangewezen op de kracht en de bekwaamheid van zijn handen. Onverenigd is het in zijn individueel optreden of gebrek aan optreden een der zekerste waarborgen van het kapitalisme voor het bestendigen van zijn overwicht op het platteland; of door zijn voortdurende stroom naar de stad een tegenwerkende kracht voor de stedelijke organisaties in hun economische strijd – georganiseerd op sociaaldemocratische grondslag met het industriële proletariaat een sterke macht ter voorbereiding en ter doorvoering van de socialisering van de belangrijkste economische factor, de grond. Een sterke, maar nauwelijks een voldoende macht in de meeste Europese landen, zonder de steun van de grote aangrenzende klasse van de kleine pachters en vooral van de kleine grondbezitters, die eveneens worden uitgebuit, malaise kapitalisten. Het kapitalisme laat hen leven noch sterven, het socialisme kan hen redden als proletariërs noch wil hen helpen als kapitalisten. In het heterogene zowel als het taaie van hun economisch karakter zijn deze klassen de vertegenwoordigers zowel van de achterlijkheid als van de trage gang van de agrarische ontwikkeling. In hun sociale tweeslachtigheid vormen zij het brede terrein, waarop de beide grote partijen elkander ontmoeten zowel als dat, waarop de eigen fracties van de sociaaldemocratie in hun theoretische inzichten en praktische voorstellen uiteengaan. Voor deze uitgestrekte sociale wadden, waarvan men met een gelijk recht kan beweren, dat zij zowel tot de zee als tot het land behoren is in ’t algemeen de tactiek nog niet bepaald en het is op deze onvaste bodem, dat de tegenpartij ons ploeteren hoopt te bestendigen en de een van de onzen de ander van modderen beschuldigt ... En toch, ondanks alle moeilijkheden van onderliggen en algemene strijd is het hier, dat de sociaaldemocratie het onmisbaar gedeelte moet werven van de politieke meerderheid, met welk zij het pleit nog niet gewonnen heeft, maar zonder welk zij het nauwelijks winnen kan. Iedere klassenstrijd heeft zijn eigen strijdwijze omdat hij zijn eigen terrein heeft. De befaamde Hollandse fractie van de bourgeoisie is haar als godsdienstoorlog uitgespeelde revolutie wel begonnen, terwijl negentiende van de bevolking tegenover haar reformatieplannen vijandig of op zijn best onverschillig was; zij was in haar strijd om de politieke macht, die zij miste, revolutionair en onverwinlijk, omdat zij behalve de sociaal-onmisbaarste faculteiten de sterkste stoffelijke machtsmiddelen bezat. De klasse, die haar nu tracht te verdringen is revolutionair, juist omdat zij deze stoffelijke machtsmiddelen mist en onverwinlijk, omdat zij meer dan enige klasse tevoren de economische faculteiten in zich verenigt; zij op haar beurt zoekt omgekeerd door het politieke overwicht de stoffelijke machtsmiddelen ... Maar niet alleen, dat zij daarvoor de steun behoeft van de grote agrarische klassen, zij is dubbel geholpen met spoedige hulp. Evenzeer als de jonge bourgeoisie haar maatschappelijke stelling veroverd heeft door alle antifeodale elementen te verenigen onder haar leiding, evenzo trommelt de sociaaldemocratie alle oproerige verdrukten van het kapitalisme bijeen en tracht hen in haar kring te trekken en onder haar invloed te stellen als eerste voorwaarde voor hun kapitalistische ontbolstering. In zoverre is voor een niet gering gedeelte van haar politieke volgelingen het kiezen van haar partij meer een votum van antikapitalistisch vertrouwen dan een blijk van socialistische overtuiging. Onder deze elementen, van wie de stemmen minder een versterking van het socialisme dan een verzwakking van het kapitalisme beduiden, maar die, uitgaande om het laatste te vloeken eindigen met het eerste te zegenen, wast de invloed van de partij met haar machtsontwikkeling in ’t kwadraat ... Het socialisme groeit op naar een voor ons ideale wereld en in tijden van druk heeft het zich weten op te richten met de veerkracht van het staal van de overtuiging; maar het groeit op in een zeer burgerlijke maatschappij, onder de invloed meteen van de zeer burgerlijke regel, dat het succes zijn eigen gevolg en oorzaak is. De gang nu zowel als de stand van de agrarische ontwikkeling kweekt bij uitnemendheid bedoelde onbesliste elementen, bij wie zij het succes moet behalen door met succes aan te komen en bij wie zij het sterkst het kan tonen juist door het bij hen te behalen. Want juist hier is de tegenwerking van de kapitalistische partijen het sterkst en trekken zij hun krachten voor de eindbeslissing samen. In de burgerlijke bevatting dringt langzamerhand het besef door, dat het kapitalisme in de industrie welhaast aan het kortste eind trekt. Vandaar dat de bourgeoisie haar redding zoekt bij de boer, van huis uit de steun van het absolutisme en de toevlucht van de reactie. Zelf reactionair geworden, hoopt zij op de duurzaamheid van deze gezindheid bij de boer om nu hem uit te spelen tegen het revolutionaire proletariaat, zoals zij dit in haar eigen revolutionaire dagen in haar kaart liet spelen, toen de boer tegen zat ... Zij speelt haar laatste spel, menen wij. Ditmaal speelt het proletariaat tegen en het trok de beste kaarten. Maar troefboer ligt op stok.

II.

Wil men de algemene verklaring voor de achterlijkheid van de agrarische ontwikkeling tegenover de industriële, men zal die hebben te zoeken in het wezensverschil van hun productieprocessen. De humoristische voorzienigheid stelde in haar economische beschikkingen, wie voor de minst ontwikkelde van haar schepselen gold, tot leider in een productieproces, waarvan de elementen te leren kennen en te beheersen heksenwerk mag heten tegenover het kinderspel van de vervulling van de overeenkomstige opgave, in zijn economische sfeer aan de industrieel gesteld. Terwijl voor de gelovige boer over plant en dier en atmosfeer en bodem de goddelijke willekeur nog regelloos heerste, bearbeidde de stedeling zijn producten reeds naar eigen vrije kapitalistenwil, bestuurd alleen door de duidelijke koopmansopdracht en marktvraag en niet door de ondoorgrondelijke wil van boven. De grote historische opgave van de industrie was, sommige uitingen van het leven, de bewegingsvormen van de menselijke arbeidskracht zó te leren ontleden, dat ze deze in dode vormen krachtiger en doeltreffender kon imiteren, – de ongelijk grotere van de agricultuur, het leven zelf van plant en dier in zijn voorwaarden te kennen en in zijn ontplooiing te leiden in verband met hun mysterieuze betrekkingen tot lucht en aarde. Het is duidelijk, wie van beide de andere voorbij zou streven, toen met de gehele middeleeuwse ontwikkeling van het werktuig achter zich, de manufactuur de oplossing ging zoeken van het mechanisch probleem, het werktuig te doen functioneren als een organisch wezen, omstreeks de tijd, dat Descartes de dieren nog beschouwde als functionerende werktuigen. Toen in ’t eind van de vorige eeuw wis- en werktuigkunde reeds op bijna alle vragen van de praktijk een duidelijk en afdoend antwoord konden formuleren, was, behalve de fysica, die zich in dienst van de industrie ontwikkeld had, voor de oplossing van de agrarische vraagstukken van de meest subtiele organische en fysiologische aard bijna geen van de hulpwetenschappen bij name bekend, behalve de chemie, die nog nauwelijks de kromme taal van de flogistische school had afgeleerd.

***

De middeleeuwen kwamen niet verder dan de ruwe empirie. De techniek van de horige boer, die met zijn trekos de ouderwetse ploeg dreef door zijn akkerland of dat van de edelman en met krachtige armzwaai het zaaigraan door de ondiepe voren slingerde, was alleen in zoverre klassiek, als zij ten minste niet overtroffen werd door de Romeinse. Hierin evenwel week de zijne van de vroegere gebruikswijze van de bodem af, dat hij, in plaats van nu hier een stuk weidegrond voor de teelt van graangewassen uit te kiezen en bij uitputting daarvan, dan daar, tot het verkrijgen van vaster en groter oogsten een definitieve scheiding vaststelde tussen bouw- en weideland. Met deze was de invoering van het “drieslagstelsel”, waarbij achtereenvolgens hetzelfde stuk grond met winter- of zomerkoren bebouwd werd en daarna braak lag, de enige belangrijke agrarische hervorming in de richting van de zich veel sneller in het handwerk ontwikkelende middeleeuwse arbeidsverdeling. Er werden aan deze productiewijze in ’t algemeen nog geen hogere eisen gesteld, dan dat haar stoffelijke resultaten de toepassing veroorloofden van de uit de directe onderlinge afhankelijkheid van de feodale standen voortgekomen zede van leven en laten leven.

Terwijl nu de agrarische productie, waar door het stelsel van in hoeveelheid en aard vastgestelde leveringsverplichtingen aan arbeid en naturaliën haar op de gemeenschappelijke grond de handen gebonden zijn, zich in de op private grond uitgeoefende tuinbouw gaat ontwikkelen in de richting van de verfijning van de cultuur van alle voedingsgewassen behalve het in ’t groot verbouwde koren, komt de industrie, na haar emancipatie als zelfstandig handwerk in de steden, de maatschappelijke leiding op zich nemend, haar de gunstige ontwikkelingsvoorwaarde van de juridische ongebondenheid voorbereiden door haar te trekken binnen de sfeer van het opkomend kapitalisme. Met de opening van de lokale markt begint de economische afhankelijkheid van het land van de stad en de strijd, die voor de boer over ’t algemeen met de ontgoocheling eindigt, dat de kapitalist de landheer vervangt en hij zelf de oude knecht blijft. Door het stijgende ruilverkeer ontwikkelt zich langzamerhand in de klare economie de geheimzinnige maar imperatieve categorie van de waarde, die de ongeschoolde landman op de duur nog wel zwaarder hoofdbreken ging kosten dan onze moderne economen. Onder haar invloed verscherpen en ontwikkelen zich de sociale tegenstellingen. Zocht de grondheer in zijn stijgende behoefte aan weelde, bij ons te lande ingeburgerd door het Bourgondische Huis, en in zijn beknelling tussen de opkomende stedelijke bourgeoisie aan de ene en de naar absolute macht strevende vorsten aan de andere zijde de meer en meer in geldvorm op te brengen lasten van zijn vroonboeren te verzwaren, deze daarentegen, bij wie de grenzen van hun maag tot dusver die van hun behoeften hadden bepaald, zagen eveneens de stedelijke markt voor zich geopend en zochten door inkrimping van hun verplichtingen de voorraad naturaliën te vermeerderen, die zij er van de hand konden doen. Zochten zij, voor een losprijs zo het moest en zonder die, zo het kon, hun vrijheid binnen de stadsgrachten, de grondheer trachtte hun horigheid te bevestigen of te versterken, nu hun arbeidskracht op het land niet minder dan in de opkomende manufactuur kon worden uitgebuit. Poogden de boeren-markgenoten, nu met het product de bodem zelf, die het voortbracht of voedde, een belichaming werd van economische waarde, hun corporaties tegen verdere deelhebbers af te sluiten, de adel beproefde uit gelijke motieven hem te bemachtigen ... Haar geruchtmakende politieke uiting vond deze allerwege opgewekte kapitalistische winzucht in de laaiende klassenstrijd tegen het einde van de middeleeuwen, – hier na langdurige “burgeroorlogen” onder vreemdsoortige en dikwijls aan de eigenlijke kwestie vreemde deviezen gevoerd, eindigend met de verheffing van de steden, de vrijmaking van de boeren en de nederlaag van de adel, elders vóór en als oorzaak van de “Boerenoorlogen”, zowel als na en ten gevolge van hun noodlottige uitslag, in het “Bauernlegen”: het verjagen van de landman van hoeve en akker, waarmee de reeks van later met wettelijke voorzichtigheid te bemantelen onteigeningen openhartig wordt ingezet, – hun economisch en minder ruchtbaar effect ten gevolge ook van de sterk wassende bevolking, in de vermeerdering van de productie, zowel als in de wijziging van haar voortbrengselen door verandering van de haar meer en meer aan zich onderwerpende, ook uitheemse markt. Engeland, waar door de grote vraag naar bij voorkeur zijn wol verwerkende lakenindustrie op het vaste land een belangrijk gedeelte van het bouwland in weideland voor schapen werd veranderd is er een voorbeeld van de laatste, het vasteland zelf levert in ’t algemeen de bewijzen van de eerste verandering.

Het is een blijk zowel als een verklaring van de achterlijkheid van de landelijke productie tegenover de stedelijke, dat, voor dezelfde sociale opdracht geplaatst, de industrie haar volvoering behalve in kwantitatieve reeds in kwalitatieve richting vond, de productiviteit van de arbeid vergrotend door verdere ontwikkeling van het handwerktuig en door hogere verdeling van arbeid, terwijl men zich in de agrarische productietakken vergenoegde met de eenvoudige uitbreiding van het bouwland ten koste van de onbebouwde en ongecultiveerde gronden, zodat tegen de zestiende eeuw de grens van de met enige kans op winst te bearbeiden gronden was bereikt. Eerst met de Hervorming begon men in ’t algemeen een nauwkeuriger exploitatie, waartoe, wat de uitgestrekte landerijen betreft, die de Kerk tot dusver met conservatieve nalatigheid had beheerd, de secularisatie een noodzakelijke voorbereiding vormde.

Het is een andere blijk van de lage stand, zowel als van het geringe ontwikkelingsvermogen van deze productietakken bij het begin van de nieuwe geschiedenis, dat hun beoefening in landen als Duitsland en Frankrijk nog drie eeuwen voort kon duren onder de feodale eigendomsverhoudingen. Maar juist omdat de groeikracht van de agricultuur te gering was om de sociale spankracht te ontwikkelen, vereist voor het doen springen van de feodale banden, moest het ontbreken van hun knelling van gunstige invloed blijken op haar verdere wasdom. In Italië, waar onder de invloed der Kruistochten de wereldhandel en bijgevolg het kapitalisme en de burgerlijke vrijheid het eerst is ontstaan, neemt in ’t bijzonder de tuinbouw een hoge vlucht. Toen in het laatst van de zestiende eeuw de Zeven Provinciën de leiding op zich namen van de burgerlijke beschaving, deden zij het meteen voor de agrarische bedrijven, wat nu dit geval het handhaven van een oude reputatie betekende.[1] Naast de zee beheersten zij het land ook in deze zin, dat zij de maatregelen vonden en toepasten om tot tijd en wijle de landbouwkunst door een uit meer dan enige empirische regels bestaande landbouwkunde zou worden geleid, van de bodem de grootst mogelijke opbrengst in te oogsten. Tot dusver was elke poging in deze richting bij gebrek aan een voldoende hoeveelheid meststof gestuit op de uitputting van de bodem, en de braak in het drieslagstelsel was hiervan een oplossing minder dan een kostbare regeling, die een derde gedeelte van het bouwland improductief maakte. Onze handelsbourgeoisie kwam deze armzalige productie bevruchten met haar kapitaal en haar ondernemingsgeest op overeenkomstige wijze als zij het reeds gewoon was in spijt van de gildebelemmering te doen in het handwerk. Het bezorgde haar uitbreiding op grootse schaal door tal van droogmakerijen en haar ontwikkeling door de toepassing van de kennis, in de tuinbouw, het proefveld van de jonge landbouwwetenschap, opgedaan, en uitgedrukt in het nieuwe stelsel van de vruchtwisseling, waarin door de verbouwing van voedergewassen – rapen, rode en witte klaver enz. – het schadelijke braakleggen vermeden werd.[2] De bedoeling: een vermeerdering van veevoeder en mest, werd overtroffen door het effect van de fysische en chemische verbetering van de bodem onder de invloed van de schaduwrijke en diepwortelende voedergewassen. Door dit nieuwe stelsel van vruchtwisseling, dat het burgerlijk-gerevolutioneerde Engeland weldra op ons voorbeeld ging toepassen bereikten landbouw en veeteelt het hoogste productievermogen, waartoe zij bij afwezigheid van enig wetenschappelijk inzicht in de aard van hun fysisch-chemische en organische processen konden geraken.[3] Het grote belang van deze empirische hervorming stelt in de steun, die zij elkaar blijken te verlenen, evenwel slechts de ene kant in ’t licht van hun verhouding, waarvan de andere zijde hun onderlinge afhankelijkheid is. Zo blijft de landbouw – de belangrijkste van beide – in zijn ontwikkeling gebonden aan de uitbreiding van de veestapel, die hij een belangrijk deel van zijn producten als voeder moet afstaan om het noodzakelijke voedsel voor de uitgeputte bodem terug te ontvangen; evenzeer als hij voor de verbetering van de nog altijd primitieve werktuigen onderworpen is aan de technische en wetenschappelijke vorderingen van de manufactuur. Eerst in de vorige eeuw, als wederdienst voor wat hij tot haar ontwikkeling had bijgedragen door de invoering vooral van de aardappel onder de voedingsgewassen, bezorgde deze hem de verbeterde werktuigen zoals de wendbare ploeg en de zaaimachine. De belangstelling in de winstgevende en door de, praktisch bruikbaar geworden natuurwetenschappen, bevorderde ontwikkeling van de landelijke bedrijven in de tweede helft van de achttiende eeuw, vindt haar sentimentele uiting in de ontwaakte liefde voor de groene natuur. De landsvaders sloegen met welgevallen het wassen van deze fiscale bron gade, de fysiocraten bepleitten het overwegend belang van de agrarische productie, de dichters zongen herderszangen ... Deze pogingen tot verheffing van de agricultuur, steunend op het inzicht van haar mogelijkheid en bij ons te lande blijkend uit de oprichting van een Maatschappij van Landbouw in 1776, brengen haar tot een opgang, die, in samenhang met de industriële, zowel de verbreking van het gildeverband als het ongedeelde en onverantwoordelijke gebruik van de bodem noodzakelijk maakt en de Grote Revolutie van de industriële bourgeoisie meteen tot een agrarische omwenteling stempelt. Napoleon, de “boerenkeizer” toonde zijn belangstelling zowel door het ontwerpen van een “Code Rural” als door de boeren, zoals te Alphen en te Wormerveer, met zijn conscriptie en zijn belastingen tot middeleeuwse opstanden te prikkelen. De belangrijkste agrarische maatregel, waardoor zijn heerschappij zich kenmerkte, is wellicht het bevorderen van de cultuur van de beetwortel, die de kapitalist de suiker en met de geraffineerd-kapitalistische aardappel de proletariër de slechte jenever waarborgde.

Na de val van Napoleon, die met de beste bedoelingen voor hun bloei hen door zijn voortdurende oorlogen vernietigde, begint voor landbouw en veeteelt de algemene wetenschappelijke dressuur in de kapitalistische vrijheid, welke in het vervolg van de eeuw ook de landeigenaren in Duitsland, Oostenrijk en ten slotte zelfs Rusland zich verschaffen. – Een belangrijk deel van de op particuliere ondervinding berustende regels voor een lonende exploitatie, dikwijls slechts van plaatselijke betekenis en elders toegepast tot de teleurstelling leidend, die het conservatisme van de boer verklaart en versterkt, wordt nu definitief vervangen door op kennis der fysica berustende voorschriften. Vragen als: wanneer men ploegen moest en hoe diep, hoeveel mest men moest gebruiken en hoe men ze moest bewaren, wanneer het de gunstigste zaaitijd was, – vonden nu hun wetenschappelijke oplossing, vooral door de onderzoekingen van Thaer. Op aandringen van deze waarschijnlijk, werden door Willem I bij ons te lande, waar sedert het einde van de laatste Engelse oorlog handel en industrie lamgeslagen waren, leerstoelen voor landbouwkunde opgericht, waarvan de bekende Uilkens met zeldzame ijver en geestdrift er een vervulde.[4] Het overwegend nationale en in ’t bijzonder kapitalistische belang bij de bloei van het platteland, waar nu meer schuren en minder lieve buitens werden gebouwd, kan ook hieruit blijken, dat niet alleen de rustige muze zich gunstig uitliet over het landleven, maar een militant dichter zelf als Staring door woord en voorbeeld zich wijdde aan de bevordering van de praktijk zowel als van de wetenschap van de landbouw, die weldra in zulk een ongewoon aanzien stond, dat men haar met de goddelijke gelijkstelde, in zoverre men de conservatieve boer uit dezelfde jeugdige monden liet beleren, hoe hij de hemelse wijngaard en de aardse velden te cultiveren had.[5] – Een ander deel van deze regels betrof de bemesting, waar van de eigenlijke betekenis een onopgelost vraagstuk moest blijven zonder wetenschappelijke kennis van de voeding van de plant en de taak, die de bodem hierbij vervult. Tot ongeveer de helft van deze eeuw was de algemene opvatting, dat de humus zelf de plant voedde en ofschoon stoffen als gips, mergel, kalk, as enz. reeds lang als mest werden gebezigd, was men omtrent hun werking en dus ten opzichte van tijd, mate en plaats van hun gebruik zo onwetend, dat de meningen omtrent de noodzakelijkheid zelfs van anorganische bestanddelen in de bodem uiteen liepen. De beroemde onderzoekingen van Liebig brachten deze moeilijke plantenfysiologische kwestie tot klaarheid en stelden vast, dat de dienst van de bodem beperkt is tot het leveren van water en verschillende oplosbare zouten. Met de kunstmatige bemesting – guano, fosfaten etc. – is ook voor dit deel van het bedrijf, in verband met de kennis van de chemische samenstelling van de bodem en de fysiologische eigenschappen van het te verbouwen gewas, een rationele, de natuur – behalve de atmosferische invloeden – beheersende uitoefening mogelijk geworden. Het traditionele drieslagstelsel is wetenschappelijk overbodig geworden en de landbouw heeft zich ten slotte van de veeteelt geëmancipeerd.

De tweede helft van deze eeuw brengt voor de meeste takken van de agricultuur de betrekkelijk snelle ontwikkeling, waarvan in deze korte schets, die haar trage gang in causale samenhang met andere sociale momenten duidelijk wil maken, alleen de belangrijkste trekken kunnen worden aangegeven. De techniek, met betrekking tot de plantaardige producten heeft zich sedert het begin van de eeuw, toen de uitvindingen van de vorige werden aangevuld met die, welke betrekking hebben op oogst en toebereiding van het ruwe product – maaimachine, dorsmachine, hooischudder, hooihark etc. – en door toepassing tevens van de stoom als drijfkracht, op grootkapitalistische wijze hervormd, zodat ook hier voor ongeveer alle werkzaamheden het met de vrijmaking van de boerenstand ontstane proletariaat tot technische dienaar van de machine kan worden gemaakt. De kennis van de bodem en van de hulpmiddelen om zijn samenstelling doeltreffend te wijzigen is uitgebreid genoeg om zonder grote overdrijving te kunnen beweren: “Il n’y a pas de terres infertiles! La terre vaut ce que vaut l’homme!”[6] De problemen, die ons hier bewust zijn, verwachten hun oplossing van de bacteriologie, de jongste en buitengewoon belangrijke hoofdwetenschap, die voor haar ontstaan gebonden was aan een zeer verfijnde optische techniek en voor haar ontwikkeling aan de vorderingen van de plant- en dierkleurstoffen vervangende chemie van de anilineproducten – een van de blijken van de tendens van de economische ontwikkeling om de mens in zijn materiële behoeften de grootst mogelijke onafhankelijkheid van planten- en dierenrijk te verzekeren, en aldus de industrie te emanciperen van landbouw en veeteelt beide, door het voordeliger ruwproduct te zoeken in het anorganische rijk. De bacteriologie schijnt tevens geroepen om de nog zeer primitieve techniek met betrekking tot de dierlijke producten – kaas- en boterbereiding – te revolutioneren. De cultuur van plant en dier breidt zich uit en verfijnt zich in verband met de nieuwere fysiologische en biologische theorieën, waarvan het darwinisme een van de belangrijkste ontwikkelingsfasen voorstelt ... De bodem en het leven, dat zij onderhoudt, kunnen binnen zekere grenzen worden onderworpen aan de menselijke willekeur, die de resultaten vaststelt; alleen wat daarboven is en als zijn andere grensvlak de oneindige ruimte heeft, de atmosfeer, is ondanks alle vorderingen van fysica, meteorologie etc. – in ’t algemeen de grote onbekende van de productie-elementen, tegenover wier onberekenbare en onbestuurbare invloeden tot dusver de nederige tactiek van voorkomen en ontwijken geboden blijft.

Engeland, dat de machines maakte, was het tevens, die ze het eerst gebruikte en de nieuwe methodes toepaste in het grootbedrijf. Andere landen, Frankrijk, Duitsland, volgden. Maar in ’t algemeen is de feitelijke toepassing van wat men in abstracto de macht van de mens over het productieproces noemt zo gering, dat ook hier blijkt, hoezeer naast invloeden van ondergeschikte aard, de agrarische eigendomsvormen opnieuw de ontplooiing van de productie belemmeren. Niettemin beleefde de Europese landbouw haar vette tijd, tot de Amerikaanse concurrentie tegen het jaar ’80 de crisis inleidde, die het, met behulp van de latere Indische en Australische, chronisch heeft gemaakt. Nu hebben we en voorgoed ook de agrarische kwestie. En de boer zingt zijn klaaglied met kapitalistische woorden op de eeuwenoude wijs.

Deel 2

I.

Het Vrouwtje van Stavoren, dat het aan bakboord ingeladen graan aan stuurboord liet uitwerpen in zee, is haar straf niet ontgaan in de overlevering, die al haar overige schepen door de wrekende elementen liet vernielen. Voor de feodale, zowel als voor de socialistische moraal staat ze gelijkelijk schuldig en in de herinnering van het volk, dat de eerbiedwaardige tradities van die oude, eenvoudiger eeuwen onverlet in de nieuwe tijden overbrengt, bleef zij voortleven als een voorbeeld van moedwil en verderf, die mensenvoedsel voor de vissen wierp en honger zaaide met haar graan. Het kapitalisme kent deze scrupules niet. Zijn oordeel treft dit kribbige vrouwtje met geen vonnis, maar scheept haar af met een luchtig beklag als de ongelukkige speculante, die voor haar vroegrijpe handelswijsheid, dat een deel meer kan zijn dan het geheel, een voordeliger lot had verdiend, dan onvrijwillig ook dit dubbel kostbare deel te verliezen. Zij is de waardige inwijdster van een tijdperk, waarin de Hollandse verdedigers van monopolies, Jozef, de bijbelse graanspeculant, tot hun patroon verhieven. En haar harteloos bedrijf is de inleiding tot de snuggere handelspolitiek tijdens de republiek, toen de hedendaagse “corners” hier hun voorlopers vonden: “nergens zag men zo duidelijk dan juist in de Nederlanden, hoe in tijden, als de nood van het volk het hevigst was, enkele graanhandelaars grote rijkdommen verwierven.”[7] Zij is wel de Maagd, die behoort te staan boven de entrees van onze korenbeurzen; evenzeer als haar herinnering een plaats verdient aan de ingang van deze schets, die tot aanvulling van het voorafgaande, enkele hoofdtrekken wil aangeven van het kapitalistisch verband tussen agricultuur en industrie.

***

Want deze verhouding is niet zo eenvoudig en hartelijk, dat de industrie er bestendig op zint, met welke machines zij de landbouw kan verheugen bij de eerstvolgende verjaring van zijn zaai- of oogsttijd, en deze, met welke nieuwe grondstoffen zij de warenverzameling de industrie zal verrijken – bij welke voorgenomen verrassingen zij smoezen met de wetenschap. Een dergelijke harmonie zoekt men niet in het kapitalisme, dat zijn productieve kracht ontwikkelt in de strijd der tegenstellingen. De ontwikkeling van agricultuur en landbouw zijn secundaire verschijnselen, hun bloei beduidt de financiële bloei van hun bestuurders. De industriëlen laten hun machines verroesten en de boeren sturen al hun koeien uit wandelen in hun korenvelden, indien zij er profijt in zien. Evenmin als de objectieve vooruitgang, blijkbaar uit de grotere macht over natuurlijke bezwaren van de beide productieprocessen, evenmin is het de verrijking van de klasse, die de prikkel tot hei-vormingen, het motief van de ontwikkeling, kan zijn. Want deze klassen zelf van industriële en agrarische kapitalisten zijn een complex van elkander vijandige eenheden. “De boer”, is een symbool, in de kapitalistische werkelijkheid hebben wij te rekenen met grondeigenaars en pachters en loonarbeiders, die zich in hun strijd om het grootste deel niet bekommeren om de grootte van het geheel, om het productief vermogen van “de agricultuur”. Het kapitalisme, dat uitgaat van de differentiatie van de elementen van het feodale productieproces, schept een zo ingewikkeld en warrig systeem van tegenstellingen en wisselwerkingen, dat het aan het individu slechts zijn eigen economische belangen bewust maakt en de gevolgen van zijn daden voor zijn klasse, zowel als voor de maatschappij in haar geheel, aan zijn inzicht onttrekt en verhult als toevallig en onberekenbaar. Het klassenbewustzijn is de ideologische vorm, die beantwoordt aan de overgang van dit in zijn wezen individuele stelsel tot het productiesysteem, dat op grondslag van het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen het maatschappelijk bewustzijn kan verlevendigen en veralgemenen. Maar dit klassenbewustzijn vertegenwoordigt alleen het inzicht van de algemeenheid van de belangen, strijdig met die van een andere maatschappelijke groep, het berust op een sociale tegenstelling. Het verdraagt zich niet alleen, het is in het kapitalisme onafscheidelijk verbonden met de tegenstelling van de belangen in de klasse zelf, hun harmonie is enkel negatief. Zo maakt het kapitalisme de ontwikkeling van het productieproces, ook voor zover de wetenschap daartoe bijdraagt met nieuwe vindingen, afhankelijk van de vraag, in hoeverre de individuele bezitter of eigenaar van de productiemiddelen zijn bijzonder belang met hun toepassing gebaat denkt. De productieve levensvatbaarheid van de grootste uitvinding zowel als van de kleinste detailwijziging staat of valt of de beantwoording van de kwestie, niet van: wat baat het? noch van: wat baat het ons? Zij is enkel afhankelijk van de uitslag van het onderzoek door elk bijzonder kapitalistisch individu – persoon of vereniging – in zijn bijzondere economische stelling te ondernemen: wat baat het mij?

***

Dit is het: het persoonlijk voordeel, wat het consult bedoelt van agricultuur en industrie met hetgeen wij, theorie en toepassing samenvattend, de wetenschap hebben genoemd. Duidelijker dan bij enige andere georganiseerde uiting van hersenarbeid ligt hier het verband bloot tussen de economische grondslag van de maatschappij en het bouwsel van denkbeelden, dat hij steunt. Het gemeenschappelijke van deze connecties ligt in het feit, dat de samenleving in elke fase van haar ontwikkeling hun haar problemen stelt en met de middelen, die zij tevens biedt, het karakter van de voorlopige verklaring bepaalt van wat men het wezen der dingen noemt. Van de wetenschappen, waarover hier gehandeld wordt, van de natuurwetenschappen in ’t bijzonder, geldt dit eigenaardige, dat het van deze samenleving de grondslag zelf is, de productie vooral en de ruil eveneens, voor wier ontwikkeling hun hulp wordt gevraagd. Met elke grote wijziging in de economie gaat een even diepgaande verandering gepaard van de bijzondere verhoudingen van de mensen tot elkaar en van hun algemene verhouding tot de natuur: de uitingen van intellect, gevoel en fantasie volgen gelijkelijk de economie in haar onbewust voltrokken evolutie. Aan de veranderde en vermeerderde middelen ter voldoening der behoefte, niet aan brood alleen, maar aan brood in de eerste plaats, beantwoorden andere maatschappelijke organisatievormen van oordeel en stemming: andere familievormen en klassenindelingen, andere systemen van wetenschap, andere stelsels van recht en moraal en godsdienst, andere scholen van kunst en filosofie; welke alle, in een gewijzigd onderling verband, trachten te voldoen aan de primaire en standvastige behoeften van het dierlijk leven en de in ontstaan en belangrijkheid secundaire en de in intensiteit zeer veranderlijke behoeften van geest en gemoed. Met het secundaire karakter van de behoeften, wier vervulling hun doel is, hangt samen, dat geen van deze “ideologische” vormen in gelijke mate en met gelijke snelheid als de wetenschap de evoluties van de economische grondslag volgt, zodat hun sociale wortels gewoonlijk in enig verleden tijdperk van de materiële ontwikkeling moeten worden opgespoord. Er hangt tevens mee samen, dat het vage karakter van de stemming, die van veler inhoud deel uitmaakt, hun projectie op de materiële bodem in hoge mate bemoeilijkt, doordat het naast algemeen-maatschappelijke of klasseninvloeden veel persoonlijks insluit, waarvan het causaal verband met de economische structuur van de samenleving zich bij de tegenwoordige hulpmiddelen aan onze controle onttrekt. Door hun grotere afstand van en hun lossere samenhang met de materiële grondslag worden van diens bewegingen alleen de grote lijnen in hun ontwikkelingsgang weergegeven en voor vele hunner door bemiddeling van de exacte wetenschappen zelf, de erkenning van wier invloed in dit opzicht een speciale trek van de burgerlijke beschouwing is.

Deze wetenschappen met hun precieze, onpersoonlijke inhoud en hun praktisch karakter, stellen met hun toepassingen een integrerend deel van de productie zelf voor en volgen in hun bespiegelingen haar bewegingen op de voet. Zij zijn de dienaren van de productie en verloochenen dit nuttige karakter tot zelfs in hun hoogste uitingen niet; hun theorieën geven de algemene richting aan, waarin het hoogste nuttigheidseffect kan worden bereikt. Hun algemene opgave is een dieper inzicht te verwerven in het “wezen” van de productie-elementen; de vorige schets heeft willen aantonen, dat en in hoeverre voor landbouw en nijverheid hieruit verschil in ontwikkelingshoogte en aanleiding tot wederzijdse hulp kan voortvloeien. Met kleine, logische pasjes, zonder sprongen, vooral zonder kromme te maken, gaan zij in de richting van dit doelwit voort. Maar de bijzondere voorwaarden waarop zij deze algemene opgave, de productie te dienen, kunnen vervullen, wordt door de productiewijze bepaald. Het kapitalisme veroorlooft deze vervulling alleen in de vorm van diensten aan de individuele bezitters van de productiemiddelen bewezen. Het verband tussen wetenschap en productie wordt in laatste instantie bepaald door het karakter van hun beoefenaars als warenproducenten. Het genotseffect, dat de wetenschapsarbeiders zoeken of bereiken met hun op nuttiger inzichten of praktischer vondsten gerichte arbeid is van bijkomstige aard en hoofdzakelijk van betekenis, ook voor henzelf, als prikkel ter verhoging van hun arbeidsintensiteit en aldus van het persoonlijk nuttigheidseffect. Kennis is macht en een genot in zoverre macht een genot geworden is in de samenleving, nadat de individualisering van het oorspronkelijke gemeenschapswezen persoonlijke macht tot voorwaarde van zelfbehoud heeft gemaakt; kennis is macht, in de eerste plaats een economische voor haar bezitter op de arbeidsmarkt. En de economische ontwikkeling, die de wetenschap dit warenkarakter heeft verleend, laat in haar voortgang niet na, dit tevens duidelijk aan het licht te brengen, nu de hevige concurrentie in de academische gilden hun monopolieprijzen doet dalen tot en beneden de grens van de werkelijke waarde.

Als koopwaar heeft het wetenschappelijk arbeidsvermogen, dat zich manifesteert in de schijnbaar onafhankelijke sfeer van de uitvindingen en ontdekkingen, evenzeer als dat wat in de productie zelf als hoogste vorm van “skilled labour” in werking wordt gesteld, in de eerste plaats te voldoen aan de noodzakelijke eis voor de realisatie van hun waarde, van gebruikswaarde te bezitten. Dit stelt als eerste voorwaarde voor hun levensvatbaarheid, dat zij komen op tijd, dat zij op zichzelf of in samenhang met de resultaten van andere takken van kennis praktische betekenis weten te verkrijgen. Leeuwenhoek ontdekte in de bacteriën, Pasteur had reeds zijn voorlopers, die alle ziekten aan “wormpjes” toeschreven, in het einde van der zeventiende eeuw. Maar ontdekking en theorie bleven steriel, omdat zij misten, wat wij als hun levensvoorwaarde vooropgesteld hebben: bruikbaarheid. Voor de belangstelling en de beloning, die hun maatschappelijk voedsel zijn, ontvingen zij spot en onverschilligheid en weldra de vergetelheid, die hun eigen ontdekking tot een verrassing heeft gemaakt. Terzelfder tijd werden opnieuw de inzichten opgerakeld omtrent de fysische eigenschappen van de stoom, maar nog een eeuwlang bleven deze onontwikkeld als gevolg van hun ontijdige wedergeboorte; eerst de perfectie van het handwerktuig van de manufactuur en de bouw van de werktuigmachine verzekerden de stoom zijn betekenis als maatschappelijke drijfkracht ... Het komen op tijd als door toeval van deze uitvindingen en ontdekkingen wijzigt zich met de vermeerdering van de hulpmiddelen en van de kennis van de aard en de eisen van de productie, in een komen op tijd met voorbedachten rade. De wetenschap wordt van onbewuste en toevallige helper de bewuste dienaar van de maatschappelijke behoeften en van de productie in engere zin. Zij levert haar vindingen, die de schijn droegen spontaan en als door hogere ingeving te worden gedaan, in overeenstemming met haar commercieel karakter als op bestelling. Toen om en nabij het midden van deze eeuw de ontwikkeling van de Engelse grootindustrie de fabriekswetgeving ten gevolge had, riepen de fabrikanten over de noodzakelijke ondergang van hun bedrijf door deze dwangmaatregelen, over het forceren van de “natuurlijke” eisen van de productie en de economen bleven niet achter om hun eigenbaat met de quasi-geleerde schijn van economische bewijzen te bemantelen.[8] Maar vóór het inwerkingtreden van elk van deze zogenaamde onnatuurlijke en dodelijke belemmeringen had dienaar wetenschap de goede wil van dienaar economie beschaamd gemaakt door de nieuwe machines en de tot dusver onbekende chemische procedés te leveren, die de gevreesde nadelen voorkwamen en de resultaten van de productie verhieven boven het peil, waarop het “natuurlijk” en mensenmoordend beloop hen zou hebben gelaten.[9] En sedert die tijd heeft het aanpassingsvermogen van de wetenschap gedeeld in de zich steeds versnellende ontwikkeling, die het hele kapitalisme kenmerkt. Zij heeft haar stralenkrans van wonderdadige intuïtie en hogere ingeving erbij ingeboet. In bijna iedere tak van kennis overtreft tegenwoordig het aantal van de bewust ondernomen ontdekkingen en “te verwachten” uitvindingen verre dat van de onvoorziene. Het kapitalisme in zijn opkomst telde in verband met zijn aanvankelijke extensieve ontwikkeling, zijn ontdekkers van beroep; het heeft het van Columbus gebracht tot Edison en eindigt zijn intensieve met uitvinders van professie.

Dit maatschappelijk karakter van koopwaar te zijn – hierop wensen wij ten slotte te wijzen – de eis, haar vondsten dienstbaar te maken aan de belangen van de kapitalistisch economische eenheid, verleent aan de wetenschap hoedanigheden, die in strijd met haar reputatie, de motor van de “vooruitgang” te zijn, haar eigen ontwikkeling en die van de maatschappij met elkaar in tweestrijd brengen. De algemene eis aan elke vinding te stellen is, dat zij gebruikswaarde bezit in deze zin, dat zij gebruikt kan worden; van een spinmachine bijvoorbeeld mag men de doelmatigheid verlangen van er mee te kunnen spinnen; de maatschappelijke eis is, dat zij kapitalistische gebruikswaarde bezit, dat zij gebruikt zal worden; of men er garen mee, hangt af van de vraag of men er zijde bij spinnen zal. En het kapitalisme waarborgt met te groter zekerheid haar uitvinders een linnen en haar fabrikanten een zijden hemd, naarmate zij door haar verbetering gebruikswaarde verkrijgt voor een ruimere kring van afnemers; zij moet, als elke vinding, uit kracht van haar hoedanigheid als koopwaar, zelf gefabriceerd met de minst mogelijke kosten, in het gebruik de meest mogelijke kosten besparen. Hier nu ligt de sociaalconservatieve tendens van de wetenschap. Het is van elk nieuw productiemiddel de ruwe, wetenschappelijk-achterlijkste vorm, welks aanwending alleen winstgevend kan zijn voor de kapitaalkrachtigste bedrijven. Zijn kosten zijn hoog, zijn structuur onbeholpen, zijn resultaten onzeker: prijs en risico zijn alleen te dragen en te wagen voor de kapitalistische inrichtingen, die gewoonlijk de hoogst ontwikkelde productievorm voorstellen. De primitieve vorm van de nieuwe uitvinding, die de geringste verhoging van productiviteit voorstelt en de kleinste winst, noopt tot zijn toepassing in ’t groot en bevordert de kapitaalconcentratie, hij drijft tevens tot snelle consumptie van zijn waarde in het arbeidsproces vóór hij achterhaald wordt door de verbeteringen, die door concurrenten aangeschaft, de gebruiker een deel van zijn “surplus-profijt” ontnemen: hij vergt de grote arbeidslegers met onbeperkte arbeidstijd; de geschiedenis van de Engelse industrie in het begin van deze eeuw kan staven welke de invloed is van de eerste uitvindingen in elke productietak op de ontwikkeling van het grootkapitaal – en tevens op de arbeidersellende ... Naarmate de wetenschap rijker aan inzicht en aan hulpmiddelen wordt – in verband dus met haar eigen ontwikkeling en die van de productie – slaagt zij er te beter en te sneller in deze nieuwe vondsten pasklaar te maken voor de geringere krachten van de kleine kapitalen, zich zelve te dienen de talrijke kleine dienende, in plaats van de weinige groten. Zij ontneemt het grootkapitaal zijn voorsprong in zijn wedloop met de kleinere, door deze vondsten te vereenvoudigen, zodat hun aanschaffing minder constant, en te volmaken, zodat hun verbruik minder variabel kapitaal vergt door de goedkopere arbeidskracht: “unskilled labour”, vrouwen- en kinderarbeid voor hun behandeling voldoende te stellen. Zo daalt ieder nieuw productiemiddel door de hogere tot de lagere kapitaalformaties af en de wetenschap is het, die de hinderpalen wegruimt voor deze onophoudelijke jacht. Het is haar ondanks, wanneer zij het primitieve stadium moeten doorlopen, waarin hun tekortkomingen de steun van de coöperatieve kracht van het grootkapitaal behoeven, dat met elke afzonderlijke vondst, die midden- en kleinbedrijf het afhandig maken, een nieuw strijdmiddel vindt in hun combinatie. Het doel van de wetenschappen – de exacte en de natuurwetenschappen – is de natuur te beheersen; hun kapitalistische tendens – en dit is tevens een van de redenen van hun fabelachtige ontwikkeling – is, dit te trachten onder de moeilijkste voorwaarden. Zij zijn de dienaren van de kapitalistische producenten en moeten krachtens het koopwarenkarakter van hun producten van menselijk vernuft deze heerschappij vergemakkelijken aan de kleine geesten, de kleine krachten, de kleine kapitalen van de verreweg talrijkste categorie van haar verbruikers. Zij brengen de machines onder de macht van kinderen en laten de subtielste organische processen beheersen door een keuterboer.[10] En door deze conservatief-sociale neigingen verraden zij hun, zij het dan verre verwantschap met de “ideologische” vormen.

II.

De scheiding van handwerk en landbedrijf, op de vroonhoeve ontstaan en zich ruimtelijk constaterend in de opkomst van de steden, is de economische hoofdtrek van de middeleeuwen; zij is de voorbereiding voor hun gescheiden, maar niet onafhankelijke ontwikkelingsgang in de nieuwere tijd, die het maatschappelijk zwaartepunt verlegt in de industrie en het karakter van de samenleving in ’t algemeen en van de agricultuur in ’t bijzonder zich doet richten naar haar productieverhoudingen, die te samen het moderne kapitaal vormen.

Deze scheiding is een economisch waagstuk, hoe weinig zij het ons mag toeschijnen, die hun vereniging alleen kennen als een verouderde productiemanier, een praktisch vooralsnog ontoepasbare maatregel van hygiëne, een utopisch stokpaard van reactionaire anarchisten of een geraffineerd middel tot loonsverlaging door uitgeslapen kapitalisten toegepast. Een deel van de producenten, tot dusver in onmiddellijke verhouding staande tot de aarde, die hen voedde en die zij met eigen handen bevruchtten, gaat zich vervreemden van dit rechtstreekse bedrijf. Het gaat zich verlaten op het verzwakte productievermogen van de overigen in een tijd, toen een misgewas niet eens, maar een karige oogst door het gebrek aan handelsrelaties en door de lage ontwikkeling van verkeersmiddelen en wegen een hongersnood betekende en het wegsterven van duizenden. Het is de beslissende stap van het jongmens, die zijn ouderlijk huis de rug toekeert of de waaghalzerij van wie zich voor ’t eerst aan de kansen van een luchtvaart overgaf. Men maakte zich los van de moeder Aarde en ging op avontuur in een vreemd economisch element. Zelfs eeuwen daarna, wanneer dit maatschappelijk proces, dat nog dagelijks voortgaat zich te voltrekken, onder invloed van een plotselinge en snelle industriële opbloei acuut werd en de nieuwe fabrieken met hun hogere lonen het platteland ontvolkten, hielden ernstige economen hun hart vast bij de vraag of de agricultuur met haar gebrekkige hulpmiddelen en haar wisselvallige resultaten wel opgewassen zou blijken tegen de hogere eisen, die de nieuwe toestanden haar stelden. Het feit, dat dit proefstuk van arbeidsverdeling het meesterstuk kon worden van het jonge kapitalisme, vindt voor de middeleeuwen zijn verklaring in hun bijna uitsluitend op graan en dierlijk voedsel gerichte productie en tevens in de traagheid, waarmee het werd uitgevoerd. Een blijk van deze sociale omzichtigheid kan men vinden in het karakter van de steden in de eerste tijden van haar ontwikkeling. Minder een nieuwe toestand vertegenwoordigden zij dan wel de oude landelijke in hogere concentratie. Evenzeer als huisindustrie nog geruime tijd een landelijke bezigheid, zo bleven land- en tuinbouw, veeteelt en melkerij vooreerst nog stedelijke bedrijven. Het valt ons enigszins moeilijk ons deze steden voor te stellen, anders dan omgeven door een muur en door torens, gewoon als wij zijn ze ons te denken in de positie van tegenstelling tot het land, die evenwel een veel later stadium van de sociale ontwikkeling voorstelt: de jeugdige bourgeoisie, die de tanden, welke zij pas gekregen heeft, laat zien. Maar moeilijker viel het aan de burgers, vooral in ons half-diluviale landje, waar de kunst van het steenbakken eerst in de veertiende eeuw van meer algemene toepassing werd, hun woonplaatsen met deze zeer kostbare verdedigingsmiddelen te garneren. De muur betekende de afsluiting van een belangrijk stadium van hun economische en meteen extensieve ontwikkeling, zowel als die van hun verdere wasdom. Naar het wezen en naar de schijn bleven zij tot die tijd handwerkrijke delen van het platteland, en zowel binnen de gracht, waar tal van akkers en moestuinen lagen, als daarbuiten oefenden de burgerboeren hun bedrijf uit. De markgenootschappen bleven zo lang de kern van haar politieke constituties. En eerst nadat deze zich voor het ongewenste lidmaatschap van de snel vermeerderende handwerkers hadden afgesloten en de strijd om de politieke macht ontbrandde tussen de grond bezittende patriciërs en de gilden, begint de emancipatie van de steden tot zuiverder industrie- en handelscentra. De overwinning van de gilden is de plaatselijke inleiding van de weldra algemene industriële overmacht. Voorshands buit de stad, vooral waar zij stapelrechten bezit, het land uit met haar handelskapitaal, dat bij de toenmalige geringe concurrentie winsten kon afdwingen, niet geringer dan die van het stedelijk woekerkapitaal, ’t welk de aan lager wal gekomen edelman de financiële genadestoot gaf; de stedelijke industrie, die deze beide kapitaalvormen ten dele een zuiver productief karakter ging verlenen, brandschatte het platteland met de monopolieprijzen van haar gildeartikelen, wier verkoop en wier fabricatie zij verhinderde buiten de ban van de stad, waar men bij voorkeur de belastingen mocht opbrengen. De stad heeft het land economisch overvleugeld, zij gaat het weldra aan zich onderwerpen. Zij maakt de markt tot middelpunt van het economisch leven, het moderne kapitaal tot zijn drijfkracht. Tussen de voortbrenging en zijn natuurlijk doel, het verbruik, stelt zich de maatschappelijke voorwaarde van het profijt; de consumptieve productie wijzigt zich tot een productieve consumptie van arbeidskracht en arbeidsmiddelen. De kapitalist stelt zich tussen vroonboer en grondheer en stelt hen beiden de wet.

***

De ontwikkeling van de industrie en haar stijgende invloed op het karakter van de agrarische productieverhoudingen vinden hun duidelijke weerspiegeling in de wijziging van de aard en de vormen van de grondrente.

De grondrente is ouder dan de weg naar Rome. Waaruit anders dan uit haar opbrengst had deze, evenals alle andere grote werken van de oudheid bekostigd kunnen worden; waartoe anders diende hij in laatste instantie dan haar zelf in enigerlei vorm van geld of product, als belasting van burgers of tribuut van onderworpen stammen, een gemakkelijker vervoer en een veiliger toegang tot de metropool te verschaffen? Zij is zo oud als het privébezit, want dit, aan de ene kant, is blijk en gevolg van een ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit, die een opbrengst van de bodem waarborgt, groter dan noodzakelijk is voor de reproductie van de natuurlijke voorwaarden van de voortbrenging – aan de andere kant uitgangspunt voor een stelsel van politieke overmacht, die de natuurlijke mogelijkheid, een meerproduct te verwerven, omzet in de maatschappelijke werkelijkheid, dit een ander dan de voortbrenger in handen te spelen. De grondrente is de klassieke belichaming van de maatschappelijke meerarbeid.

Haar oudste en tot ver in de middeleeuwen voornaamste vorm is de arbeidsrente. Zij bestond hoofdzakelijk in de verplichting tot het verrichten van zogenaamde hand- en spandiensten, waarbij de boer een vastgesteld deel van zijn arbeidstijd zich met zijn arbeidsmiddelen ter beschikking moest stellen van de grondheer. De grootte van deze rente is, door de lage productiviteit van de arbeid, gering, haar vorm doorzichtig, evenals de klassenverhouding, die haar uitdrukking moest vinden in eenvoudige persoonlijke dwang, waar de economische was uitgesloten, zolang de producent eigenaar bleef van zijn productiemiddelen. Naar ruimte en tijd is deze gedwongen voortbrenging gescheiden van de vrijwillige tot eigen onderhoud. De hoeveelheid en de vorm van deze arbeid staat vast; het markgenootschap houdt hen binnen de oude perken; de traditie van eeuwen ijkt hen tot grotere onschendbaarheid, dan het moderne recht ooit heeft kunnen handhaven voor zijn beschreven regelen. Maar wat niet vaststaat van deze arbeid is zijn productiviteit, die hoewel in een tempo zo langzaam als de hele ontwikkeling van deze economisch sluimerende tijden, niet ophoudt zich te vergroten en voor de vroonboer de kans doet rijzen zich te verrijken met de hogere opbrengst van zijn eigen akkers. Hier ligt de kiem van de latere kapitalistische winst. Maar van de algemene meerarbeid blijft het deel, dat de producent zelf kan bereiken, in zijn omvang bepaald door de grootte van de grondrente. Deze blijft van de meerarbeid de standvastige, maatschappelijk normale belichaming.

Naast en uit deze oudste rentevorm ontwikkelt zich de productrente. In plaats van arbeid levert de boer aan de grondheer een vastgestelde hoeveelheid agrarische zowel als industriële producten. Het zijn voornamelijk de “tienden” waarin deze rentevorm zijn uitdrukking vindt en die, wat Holland en Zeeland aangaat, in de dertiende eeuw van alle landerijen moesten opgebracht worden aan de graaf, die ze verpandde aan de edelen, maar in ’t bijzonder aan de geestelijkheid. Ook deze instelling laat de verhouding onaangetast tussen de drie delen, waarin de opbrengst van de productie uiteenvalt: een deel dient ter voldoening aan de natuurlijk-noodzakelijke voorwaarde van de reproductie van wat onder het kapitalisme zich als constant en variabel kapitaal zal onderscheiden en een ander deel aan die van de maatschappelijk-noodzakelijke van de opbrengst van de grondrente, welke ook hier de grens vormt van het derde deel, dat in zijn omvang de wisselvalligheden van de agrarische productiekansen weergeeft en niet het leeuwendeel voorstelt. Als eerste overgangsvorm tot de kapitalistische laat zij de feodale grondrente in haar wezen onveranderd, maar volstaat met de duidelijke trekken van zijn karakter te vervagen. De meerarbeid wordt verlangd als meerproduct, niet de arbeid zelf maar zijn effect. De boer werkt niet langer op de akker van de grondheer, maar op landerijen, die hij in eigen beheer en naar het naïeve vertrouwen in de onveranderlijkheid van de dingen, in het bezit “ten eeuwige dage” meent te hebben. Zijn meerarbeid is van zijn noodzakelijke arbeid naar tijd noch plaats langer te onderkennen. Natuurlijke en maatschappelijke eisen van de productie vloeien ineen, niet met het oog maar door de analyse slechts zijn zij voortaan te onderscheiden. Het economische karakter van grondheer en boer vertoont de hiermee corresponderende wijzigingen. De eerste, in directe verbinding tredend met de lokale markt, trekt zich uit de productie terug in het circulatieproces; de laatste, nu persoonlijke dwang tot arbeiden overbodig geworden is, aanvaardt met zijn betrekkelijke vrijheid de volle verantwoordelijkheid voor de uitslag van de productie, die niet langer gedrukt wordt door het servituut van onderbreking ten behoeve van de vroonarbeid. Is hij hierin een voorloper van de kapitalist, hij is het meteen door zijn grotere macht zelf arbeidende krachten in dienst te nemen, hetzij op voet van horigheid, hetzij als loonarbeiders in moderne zin. Want het risico, samenhangend met hun ondernemerskarakter, toont zijn gevolgen in het grotere onderscheid tussen de welstand van de producenten; waar de gunstige kansen de ene boer verhieven tot het uitzicht op volledige economische onafhankelijkheid, daar richtten de kwade de ander economisch te gronde. Bij het toenemend individueel karakter van de voortbrengers – in tegenstelling tot de meer sociale aard van de voortbrenging, die koopwarenproductie gaat worden – waarin de traditie van genootschappelijke samenhang zich niet thuis kon vinden, treedt de ontbinding in van alle feodale instellingen, ook die van markwezen. Grondheer en vroonboer gaan het laatste bedrijf spelen van hun historische rol; arbeider, pachter en moderne grondbezitter staan reeds tussen de coulissen.

De handel gaat intussen voort de producties aan elkaar te ontdekken en met elkaar te verbinden van de landen, die door verschil in klimaat en bodem hun meerarbeid realiseren in verschillende soorten koopwaren of door hun verschillende economische ontwikkeling in de verschillende proporties van dezelfde agrarische en industriële producten. De stoot, die hij in de geavanceerde landen geeft aan de industriële ontwikkeling, plant zich door bemiddeling van de lokale markt voort in de agricultuur. Het is de economische genadestoot voor de grondheer, die, na zich als zodanig uit de productie te hebben teruggetrokken, nu ook uit het circulatieproces verdwijnt: de geldrente, waarin de productenrente zich historisch voortzet, verdringt hem ook van de markt. Hij is een non-valeur geworden en alleen van economische betekenis, in zoverre hij als de boer, zijn eigen gronden beheert; als grondheer kan hij wel gaan wandelen. Maar de boer wint in dezelfde mate aan economisch gewicht. Hij doet zijn definitieve intrede op de markt, waarmede hij tot dusver alleen door het toevallige overschot aan producten in vrijwillige betrekking had gestaan; nu is hij gedwongen een, hoewel nog altijd gering deel van zijn voortbrengselen als koopwaren te produceren. In zijn betrekking tot de landheer geldt evenmin als zijn bijzondere arbeid, langer diens uitdrukking in bijzondere producten, maar geeft de realisatie van hun waarde in de algemene waar: het geld, de doorslag. Hierin ligt reeds de onderstelling opgesloten van een door de concurrentie geconstitueerd gemiddelde van de prijzen van de voornaamste zowel agrarische als industriële voortbrengselen (graan, linnen etc.). Maar belangrijk als gevolg en als graadmeter van de ontwikkeling van handel, geld- en koopwarencirculatie en stedelijke industrie, is de geldrente het niet minder als nieuwe oorzaak voor haar bevordering. In ’t algemeen, omdat zij de agrarische productie aanmoedigt en het platteland maakt tot een onafscheidbaar deel van de belangensfeer niet langer, maar van de machtssfeer van de markt, binnen wier grenzen alleen het moderne kapitaal zich kan ontwikkelen. In ’t bijzonder, omdat zij de stedelijke industrie, die dit kapitaal zijn karakter verleent, een grotere afzet waarborgt door het opheffen van de verplichte leverantie van landelijk-industriële artikelen aan de grondheer ... Overeenkomstig deze theoretische beschouwingen ziet men dan ook, dat waar de industrie optreedt, deze grondrentevorm haar op de voet volgt. Wat de Nederlanden betreft, in Vlaanderen het eerst, waar in het midden van de twaalfde, in Brabant vervolgens, waar in ’t midden van de dertiende eeuw de vroondiensten werden opgeheven en in geldrenten omgezet. In Holland daarna, waar de loskoopprijzen een bestendige bron van inkomsten van de graven uitmaakten met wier inning een staf van afzonderlijke beambten was belast, de “ontvangers der keurmede” en waar in de veertiende eeuw alle bewoners behalve edelen, geestelijken en vrijgeborenen aan de algemene grondheer, de graaf, “schot”, betalen. Deze verplichting werd bij de opheffing van de horigheid, die een eeuw later vrij algemeen haar beslag gekregen had, niet langer aan de personen, maar aan de bodem gebonden: “schotbaar land blijft schotbaar” heeft weldra evenveel geldigheid als “stadslucht maakt vrij”. In Gelderland en Overijssel het laatst, waar in het midden der zestiende eeuw nog werkelijke lijfeigenen en in ’t begin van de achttiende nog hofhorigen werden aangetroffen; terwijl aan de vooravond van de Bataafse Republiek de beroemde Van der Cappelle tot de Poll nog drostendiensten, hoewel afkoopbaar, in Overijsel af te schaffen vond ... Zo is de industrie de onmisbare wegbereider voor het kapitaal op het platteland. Met deze rentevorm is zijn geldschijn, maar nog niet zijn economisch wezen bereikt. De maatschappelijke samenhang wordt erin geconstateerd en er door versterkt, de maatschappelijke tegenstellingen er door gescherpt en verduidelijkt, tot zij zich openlijk constateren in de strijd tussen boer en grondheer, die elders langs gewelddadige weg verhaastte, wat in de centra van het internationaal verkeer door de handel werd bespoedigd; de accumulatie van het kapitaal. Met de geldrente wast de economische onafhankelijkheid van de boer en de speelruimte van zijn kansen op profijt; maar het profijt blijft het wisselvallige overschot van de opbrengst van de productie boven de grondrente, vastgesteld “ten eeuwigen dage”. Het kapitaal mag aan de feodale economie zijn vormen lenen, het stelt haar nog niet zijn wet, die, omgekeerd, de grondrente doet afhangen van de maatschappelijk-noodzakelijke winst. Het wijzigt de verhouding van boer en grondheer, het stelt zich nog niet tussen hen en boven hen. De nieuwe zich formerende economische grondslag, wordt nog gedrukt door de oude, ideologische bovenbouw.

Deel 3

Wanneer, na een eigen ontwikkelingsovergang van enige eeuwen te hebben doorlopen, de stedeling terugkeert tot het platteland, niet om zich van de producten, maar van het productiemiddel zelf, de bodem meester te maken, dan mag men dit aanvaarden als het bewijs, dat de landelijk-economische verhoudingen in de stroom van de koopwarencirculatie en het gedrang van de markt reeds de graad van antifeodale murwheid hebben bereikt, die haar geschikt maakt en aanlokkelijk voor rechtstreekse kapitalistische exploitatie. Het waren feodale gebruiken en instellingen, die tot dusverre een barrière hadden gevormd om het grondbezit en de grondrente hadden gehandhaafd in haar eerstgeboorterecht tegenover de latere normale belichaming van de meerarbeid, de winst; maar met de geldrente had het jonge kapitalisme zijn sterkste strijder binnen deze oude muren gesmokkeld. Het geld had de bezetting niet alleen, maar de bevelhebbers zelf – de landheren – als omgekocht de oude traditie te verraden. Er ontstond met de grote economische omwenteling van de algemene koopwarenproductie een zich in de marktconjunctuur weerspiegelende afhankelijkheid van zeer wisselende, onbekende sociale factoren en een drang naar “vrijheid”, niet alleen om ontslagen te zijn van de belemmeringen om ten volle van de gunstige kansen van het ogenblik gebruik te kunnen maken, maar ook om verzekerd te zijn van zijn recht, te allen tijde de huik te kunnen hangen naar de wisselende winden van de toekomst. Zelf slechtten de grondbezitters de muur, die het vrijere ruilverkeer met de koopgrage stedeling belette. De fictie van eeuwigdurendheid werd zowel prijsgegeven in de verhouding van landheer tot boer als in die van boer tot arbeider; het pachtcontract en het looncontract vervangen de verplichte schenkingen in arbeid en in naturaliën of de eens en voor altijd vastgestelde opbrengst van de rente in geld. De samenhang van land en stad herstelt zich, zij worden weer één op de algemene grondslag van rekbare en veranderlijke kapitalistische verhoudingen. En niets staat nu verder de stedeling in de weg de agricultuur te drijven als elke andere industrie, land te kopen en land te verpachten, evenals in de manufactuur de gebruikswaarde als koopwaar te doen produceren door een groter of kleiner regiment van arbeiders, die men kan afschepen met de karige soldij voor hun levensonderhoud, terwijl men als bevelhebber een uitsluitend recht kan doen gelden op de buit van de meerwaarde.

De Hollandse kooplieden, die in de eerste helft van de zeventiende eeuw vooral, zoveel van hun goede geld staken in agrarische ondernemingen, hadden dus wel stouter stukken uitgehaald dan met hun grootscheepse droogmakerijen. Zij behoefden hier geen hel te doorzeilen en geen draad van hun zeilen liep gevaar te verzengen; zij voeren hier door een zeer familiair element en winst was de zekere bekroning van het werk, dat zij anderen lieten verrichten. De nieuwe bodem, die zij brachten aan het bevruchtende licht was een zeer vertrouwbare bodem voor hun exploitatie. Leeghwater legde hun bij zijn bekend plan de rekening voor van wat zij te winnen en te verliezen hadden: Ruim drie en een half miljoen moest het kosten en bij een verkoop van honderdtachtig gulden per morgen waren zij gedekt; hadden zij er ditmaal geen oren naar, het lag eensdeels aan de technische bezwaren, anderdeels aan de zware slagen, die hun handel na de tachtigjarige oorlog ontving; het buitensporige lag niet in de economische aard, maar in de economische maat van de vorderingen, die hun gesteld werden. Met de Spaanse autocraat was voorgoed de feodaliteit over Hollands grenzen geweken. En alle hulpkrachten van het kapitaal trokken er binnen. Er was geld bij de vleet en er waren handen te over: voor proletariërs had ook hier de kapitalistische ontwikkeling gezorgd in voldoende, wat kapitalistisch betekent: in overvloedige mate. Van overal kwamen dagelijks de leidende krachten van industrie en agricultuur: uit Engeland, uit de Zuidelijke Nederlanden, uit Duitsland, uit Frankrijk zelfs begint in deze tijd reeds de stroom van refuges, die tegen het einde van de eeuw in haar sterke aanzwelling aan de industrie een nieuwe vlucht zou geven; voor de oorlog en de geloofsvervolging, die men ontweek vond men hier niet meer terug dan de vervolging wegens schulden en de oorlogstijdingen van enige vesting in de verte, gewonnen of verloren door de Prins, het kwam er weinig op aan. Holland zoog zich vet aan alle landen: het haalde uit Engeland eerst en daarna uit Spanje en Schotland de wol, uit Polen het graan, uit Friesland het hooi. Ofschoon in vergelijking met de andere provinciën nog het minst misdeeld met natuurlijke voordelen, – in de middeleeuwen vergeleek men het met Lea, de vruchtbare, in tegenstelling tot Henegouwen, dat om zijn schoonheid de Rachel onder de gewesten van de graaf voorstelde – was het tegenover de landen, die het overschaduwde, tegenover Spanje inzonderheid, maar een schunnig plekje grond en minder grond dan water. Het zoog zich dik aan industriële macht tot zijn steden uit hun muren barstten, aan agrarische tot het land van water maken moest. Dat werd een zaakje, zo vet als de klei die er mee gewonnen werd; de graanprijzen waren hier voortdurend stijgende, zowel door de bevolkingsaanwas, die zij zagen als door de geldontwaarding, die hen verborgen bleef. Dit werd een secure onderneming van kolonisatie, een binnenlandse en onbloedige ditmaal, waarbij geen inboorlingen maar vissen hun hachje inboetten. En meteen gaven zich de nog altijd nog wat plebejische handelslui een patricisch reliëf door aan hun historisch-oneerbiedwaardige kruideniersrijkom het deftige grondbezit toe te voegen.

Stelt de kapitalist zich evenwel op deze of op de meer gewone wijze van eenvoudige aankoop, met het recht van de kapitalistisch-sterkste in de plaats van de feodale landheer, hij staat niet vrijmachtig tegenover de agrarische verhoudingen, die hijzelf in ’t leven riep en staat niet langer tegenover de feodale vroonboer. Als handelaar heeft hij het kapitalisme voorbereid op het platteland, als grondbezitter stuit hij in zijn vorderingen op kapitalistische eisen. Hij heeft van de agricultuur een, hoewel eigenaardige kapitalistische industrie gemaakt, die voor de pachter-ondernemer de maatschappelijk-normale winst moet afwerpen en aan wier eigenaardigheid alleen hij het overschot, de grondrente dankt. Hij zal intussen geen reden hebben zich over zijn deel te beklagen.

***

Er waren lange eeuwen van economische vervorming nodig vóór de willekeurige en toevallige verhouding tussen de beide contractanten van de eenvoudige en zeldzame ruil – nomadenvolken, die met elkaar hun overbodige producten uitwisselen – zich ontwikkelde tot de nuttige, maar in ’t algemeen niet onmisbare ruil volgens bewuste regels in de loop van de middeleeuwen; de voortbrenging bleef gericht op het eigen gebruik. De in ongelijk korter tijd voltrokken overgang tot het kapitalisme is het, die de ruil onmisbaar maakt en de wetten, die hem beheersen verborgen en onbewust. Met de interne arbeidsverdeling – in tegenstelling tot de externe, die voortvloeit uit verschillen in de natuurlijke productievoorwaarden en die van de vroegste tijden af een afzonderlijke handelsstand in ’t leven riep en hield – met het verzelfstandigen van de verschillende onderdelen van de gemeenschappelijke productie van de familie of het huisgenootschap wordt aan de willekeur en de onregelmatigheid in de getalsverhouding van de onderling geruilde gebruikswaarden een grens gesteld in de noodzakelijkheid voor ieder, om door zijn arbeid voor anderen ten dele te voorzien in eigen levensonderhoud. Arbeid en aanvankelijk persoonlijke arbeid was de enige natuurlijke zowel als mogelijke maatstaf bij de bepaling van de waarde van deze goederen. Bij deze individuele ruil, zonder tussenkomst van enig persoonlijk of zakelijk medium, waren het de producten van directe, eigen arbeid, waarvan men de grootte en langzamerhand ook de gemiddelde grootte kende, die werden gevraagd; het waren onder gelijke omstandigheden geproduceerde waren, die werden aangeboden. En dit is de beslissende waarborg voor de bewustheid waarmee in deze ruil de gelijke arbeidstijd als voorwaarde voor gesloten koop wordt nagestreefd en ook voor ingewikkelde gevallen in de loop van de tijden benaderend wordt bereikt in het loven-en-bieden: de jonge en zeer onvolledige arbeidsverdeling veronderstelt de bekendheid uit eigen ondervinding of uit onmiddellijke waarneming met de noodzakelijke hoeveelheid arbeid, die aan elk van de weinig talrijke gebruiksvoorwerpen moet worden besteed. Iedere producent bleef vooreerst een manusje-van-alles, die in een enkele richting een grotere handigheid en bekwaamheid had verworven. Men arbeidde wederkerig in elkaars dienst en onder elkaars toezicht. De handwerker ging op karwei, de ruwe materialen werden hem aanvankelijk verstrekt door de koper van zijn product, waarna hij niets of bijna niets dan zijn levende arbeid ten koste legde. Want het werktuig was nog weinig ontwikkeld en weinig kostbaar en de werkplaats was aanvankelijk het huis van de koper. De ongeveer gelijke levensstandaard hield bovendien de waarde van de arbeidskracht op een gelijk niveau. Er was weinig, wat het inzicht in de aard van de ruilmaatstaf kon verduisteren en wat de tendens van de gelijke waardenruil in zijn uitingen kon wijzigen. Openbaarheid en eenvoud kenmerkten het arbeidsproces en daarom het gehele middeleeuwse leven.

Het steeds verder om zich grijpen van de koopwarenproductie waarvan wij vroeger de invloed hebben waargenomen op de vormen van de voorkapitalistische grondrente, moge met elke nieuwe in de circulatie tredende koopwaar de moeilijkheid hernieuwen van de benaderende kwantitatieve bepaling van de verschillende in de ruil tegenover elkaar geplaatste arbeidsmassa’s, het voerde nog geen elementen in die de ruilwaarde tot een onzuivere vertegenwoordiger van de individuele waarde van het product moesten maken. Het algemeen waarde-equivalent, het geld, waarvan de bemiddelende dienst werd ingeroepen of uitgebreid, wijzigt niets aan het algemene ruilbeginsel. Het bewijst in de verschillende vormen, waarin het zich vertoont alleen de grote virtuositeit, waarmee men na eeuwenlange oefening slaagt in zijn toepassing. Men ziet, naar de wisselende omstandigheden van plaats en tijd als geld optreden: slaven, in wie niet de afzonderlijke arbeidsprestatie, maar in verband met leeftijd en fysieke gesteldheid het hele arbeidsvermogen moest worden geschat. Men ziet deze betrekkelijk algemene ruilbaarheid toekennen aan het vee, waarin, al naar het als arbeidsmiddel – het stomme werktuig tegenover het sprekende, de slaaf – of als verbruiksmiddel werd verlangd de toekomstige of de verleden arbeid werd getaxeerd. Men ziet eindelijk de geldfunctie overdragen op de metalen, de onedele eerst, de edele daarna. Gewonnen in vreemde landen of onder onbekende productievoorwaarden op eigen bodem, vertegenwoordigt het algemeen optreden van deze geldvorm de overgang tot de onbewustheid van de toepassing van de arbeidstijd als ruilgrondslag. Maar de toepassing handhaaft zich niettemin en verraadt zich zowel in de ijdelheid van het geloof aan een vaste en natuurlijke waardeverhouding tussen goud en zilver als van de poging van een willekeurige waardebepaling van deze metalen door middel van besnoeiing, vervalsing of willekeurig bevel. Maar zelfs voor het geval van over- en onderschatting van eigen waarde kan het geld als eenvoudig middel van ruil, diens grondslag niet wijzigen. Het is de bemiddelaar, die niets vraagt voor zichzelf.

Wie iets vraagt voor zichzelf en liefst zoveel mogelijk is de persoonlijke bemiddelaar: de koopman. Hij, de niet-producent, stelt met de uitvoering van koop- en verkoop voor velen de verzelfstandiging voor van de circulatie tegenover de productie. Met de woekeraar vertegenwoordigt hij tegenover het oude grondbezit de eigendom in zijn hoogst ontwikkelde vorm: in geld en dit, onder hun leiding, vervult in deze elementaire hoofdzakelijk op eigen gebruik gegrondveste economie de volslagen nieuwe functie van kapitaal. Immers bij de een met en bij de ander zonder de tussenvorm van de koopwaar, waarborgt het onder normale omstandigheden zijn terugkeer na borg of handel met een waarde-aanwas, die het tijdelijk gemis voor de een en de tijdelijke vormverandering in persoonlijk-nutteloze gebruikswaarden bij de ander en voor beiden de risico van algeheel verlies verzoet. Beide voorvormen van het moderne kapitaal, die zijn exploitatiemanier volgen zonder vooralsnog in zijn productiewijze de algemene grondslag te vinden, vorderen niets dan dat tenminste een deel van de productie in koopwarenvorm is overgegaan en dat zich in de ruil het equivalent, het geld heeft gevormd: de voortbrenging voor eigen gebruik sluit zowel de betrekkelijke afhankelijkheid uit, die doet ruilen als de absolute verlegenheid, die doet borgen. Beide bereiden een nieuwe productievorm voor zonder deze evenwel te determineren. Het woekerkapitaal, waartoe na de intreding van de geldrente de boer bij tegenslag zijn toevlucht moest nemen om de reproductie van het arbeidsproces mogelijk te maken, evenzeer als de landheer zelf wanneer hij zich in schulden gestoken heeft; het woekerkapitaal zich aldus door middellijke of onmiddellijke uitbuiting in de plaats stellend van de grondeigendom, dat beslag leggen kan op de hele massa van de meerarbeid, wijzigt de productie slechts in zoverre als het haar voortzetting niet onder nieuwe, maar onder een verslechtering van de oude condities veroorzaakt. Het woekerkapitaal is de toevlucht meteen voor de naar lager wal afdrijvende handelaar; de Antonio’s zakken in tijd van nood af naar de Shylocks en in deze verhouding, de eerste kapitalistische, die door de kerk gebillijkt werd, ligt de sterkst ontwikkelde kiem van de later zo eigenaardige antagonistische harmonie van de bezittende klassenafdelingen onder het kapitalisme. Het koopmanskapitaal evenzeer kan ontstaan en bloeien onder alle, indien slechts in meerdere of mindere mate koopwaren voortbrengende productiewijzen; het verschilt alleen hierin van het woekerkapitaal, dat het deze koopwarenproductie vergemakkelijkt en aanmoedigt door de afzet te waarborgen. Maar bij dit verschil is de overeenkomst van deze beide kapitaalvormen, dat zij van secundair karakter ten opzichte van de productie zelf, haar wijziging slechts kunnen verhaasten zonder nochtans de aard van de wijziging te bepalen. In het Romeinse rijk bereidden zij de slavernij voor, in het Europa van de middeleeuwen de loonslavernij.

Het koopmanskapitaal, in aansluiting met zijn minder passief karakter, ontwikkelt in de schijnbare willekeur van de kwantiteitsverhoudingen van zijn ruil-op-grondslag-van-ongelijke-waarde, de regelmaat, die voor het woekerkapitaal wordt bestreefd maar niet bereikt in de interestvoet, herhaaldelijk vastgesteld van hogerhand – een hand, die deze andersoortige willekeur te minder kon doorvoeren, daar zij zelf zich meer en meer uitstrekte en opende voor de hulp, die zij zich de schijn gaf te beheersen. Het handelskapitaal vindt het motief voor zijn beweging in de winst, en brengt deze in een vaste verhouding tot zijn eigen grootte: het ontwikkelt de winstvoet. Bemiddelaar van ruil tussen verre uitersten, waartussen de gevaren van roof en ontij hem bedreigen op moeilijke wegen, drijft hem de hulpeloosheid, die iedere eenling kenmerkt welke zich in deze tijden begeeft buiten de op-eigen-gebruik gerichte productie, noodzakelijk tot vereniging met zijn lotgenoten. Met de mark, zelf afgeleid uit het oorspronkelijk communisme als voorbeeld wordt de handel, evenals elke andere maatschappelijke functie, uitgeoefend in genootschappelijke vorm, waarbij het poorterschap van dezelfde stad in die middeleeuwen de natuurlijke band vormt. Naarmate de individuele bezitsverschillen zich vergroten en kapitalen van zeer verschillende omvang in een gemeenschappelijke onderneming worden gestoken wijzigt zich de gelijke winstverdeling in een, die de grootte van het winstaandeel in rechtstreekse verhouding stelt tot het ingebrachte kapitaal. Ook daar, waar de handel binnen de perken van de algemene bepalingen persoonlijk wordt gedreven, waarborgen deze in de handhaving van volkomen gelijke kansen voor iedereen: gelijke prijzen van in- en verkoop, gelijke verkeerswegen met dezelfde tollen naar dezelfde markten, op den duur de zekerheid van de gelijke winst voor hetzelfde kapitaal. Een met deze winstvoet vergelijkbare en naarmate het kapitalisme zich voorbereidt, daarmee samenvallende, gelijke kans op voordeel vormt zich bij de later ontstane ambachtsgilden, eveneens plaatselijke verenigingen, gevormd en in stand gehouden naar de eis, niet alleen om de euvelen van een toekomstige concurrentie te voorkomen, maar tevens om die van een verledene te vermijden. De handwerkers, aanvankelijk geïsoleerd en zich voor het eerst verbindend tot een als strijdorganisatie tegen de stedelijke grondbezitters bedoeld gilde; vervolgens hun gemeenschappelijke belangen bevestigend door allerlei bemoeilijkende bepalingen van intrede in het bedrijf en hun persoonlijke uit dure ondervinding het best gewaarborgd rekenend door een stipte, voor ieder gelijke, beperking van rechten omtrent de voorwaarden van het productieproces; daarna gesplitst in meesters en gezellen, samenwerkend met vaste, naar de onderhoudskosten van de gezel zich richtende verdeling van de arbeidsopbrengst en eindelijk gescheiden in meesters, die embryonale kapitalisten en knechten, die loonarbeiders van hogere orde zijn, de handwerkers handhaven onder de ontwikkeling van de eenvoudige productenruil tot geld- en koopwarencirculatie, voor iedere plaatselijke productie met zijn bijzondere bepalingen omtrent leerlingen- en knechtsarbeid, zijn vastgestelde warenprijs en kwaliteit, niet alleen de zekerheid van een vast en in zijn maximum beperkt voordeel, maar vormen daaruit naarmate hun productie zich langs de aangegeven ontwikkelingslijn verkapitaliseerd een plaatselijk geldende economische categorie, overeenkomstig de bijzondere winstvoet van de handelsorganisaties. Intussen baseert zich bij deze het profijt op de ongelijke waardenruil, terwijl behalve voor de waren, waarvoor het door de handelaar te hoog geschatte ruwe materiaal wordt gebruikt, in deze industrieën de ruil in ’t algemeen plaats blijft vinden op grondslag van gelijke waarde en de prijzen in hun aan de stabiliteit van het productieproces beantwoordende trage wisseling de tendens behouden realisaties te zijn van de individuele waarde van elk product. Zolang de benodigde warenhoeveelheid nagenoeg bekend is, de productiemiddelen in ’t algemeen in ’t bezit van de producenten blijven, terwijl de verschillende bedrijven zich tegenover elkaar handhaven in hun starre afgeslotenheid, zolang blijven de producten in de ruil rechtstreeks gehoorzamen aan Marx’ waardewet, en realiseert zich hun individuele waarde naar de hoofdzakelijke verschillen van de levende arbeid vereffenende, noodzakelijke arbeidstijd.

Deel 4

De feodale productie, hoezeer men haar in het gildewezen een erfelijke stabiliteit tracht op te dringen, beweegt zich voorwaarts maar met de traagheid van een gletsjermassa. Zie nu evenwel met de nadering van het kapitalisme en als zijn aankondiging, een dooi vallen over deze verstijfde vormen, klare ijsblokken, waarin ieder zijn maatschappelijk beeld kan herkennen; zie ze vervloeien tot een vloed, die in zijn gestadige golvingen en deiningen de beelden van de bewustheid uitwist of ze wijzigt tot hun bedrieglijke schijn. In overeenstemming met de evolutie van de inwendige verhoudingen van het arbeidsproces verandert het uitwendige voorkomen zodanig, dat de kennis van de persoonlijke of van de gemiddelde arbeidshoeveelheid in elke waar belichaamd en haar bewuste toepassing als waardemeter vervaagt en verdwijnt uit het bewustzijn van de producenten, zo spoorloos, dat in onze tijd het merendeel van de theoretici de waardebron van de abstracte arbeid verplaatst in zijn tegenpool, de individuele gebruiksnuttigheid. De idyllische tijden zijn voorbijgegaan, dat de handwerker de boer opging en onder de controle van de koper het product vervaardigde. Met de zich uitbreidende arbeidsverdeling, die de productie van de afzonderlijke koopwaar versnippert over talrijke handen, elk bedeeld met een arbeidskracht van bijzondere waarde, trekt meteen het arbeidsproces zich uit de openbaarheid terug en verdwijnt met de plaatselijke afzondering de persoonlijke aanraking, die de wederzijdse kennis van de arbeidsvoorwaarden vergemakkelijkt. Vulde zich in de middeleeuwse gildetijd nog elke straat en steeg met het gedruis van de zoveel mogelijk in de open lucht uitgevoerde arbeid, waarvan zij de bijzonderheid in hun namen bewaarden, weldra verdwijnen de voornaamste industrieën achter de wanden van de manufactuur, totdat ten slotte de waarde gevende, levende arbeid schuil gaat onder de dode van machinerieën en ruw materiaal achter de smoezelige muren en ruiten van de fabriek ...

II.

Allereerst maken deze verscheidenheden van hoog en laag zich voelbaar, zodra de koopwaren van de verschillende plaatselijke afdelingen tegenover elkaar worden gesteld op een algemenere dan de lokale markt. De vereffening, die hier plaats vindt, drukt zich uit in het stellen van eenzelfde marktprijs voor koopwaren van dezelfde soort en van nagenoeg dezelfde hoedanigheid; hiermee bereikt de vrije mededinging op het ruimere gebied hetzelfde, waar het monopolie in de beperkte kring van uitging en zij bereikt dit te zekerder, naarmate de technische ontwikkeling de verscheidenheden van de persoonlijke arbeidskracht van het product schaaft tot de gladheid van het uniforme fabriekstype. Deze marktprijs is in zijn voortdurende wisseling het resultaat van een vereffening van dubbele aard, overeenkomstig een afwijking in twee richtingen van de nieuwe ruilvoorwaarden van de omstandigheden, die op de lokale markt aan ieder warenvoorwerp – met de benaderende juistheid, die voor iedere economische wet geldt – de realisatie van zijn individuele waarde veroorloofde. De eerste afwijking gaat in de richting van de productievoorwaarden. En juist de strenge gildebepalingen, die voor de lokale kring, waar zij werden vervaardigd en verbruikt, de producten in waarde aan elkander gelijkstelden en de vaststelling van hun prijzen veroorloofden, juist deze overheidszorg, die met angstvallige nauwgezetheid waakte tot over de minste bijzonderheden van de productie, fixeerde met de waarde tevens het onvermijdelijke onderlinge waardeverschil tussen de producten van verschillende herkomst. Vandaar dat deze algemenere marktprijs niet langer de waarde-in-geld voorstelt van elk, maar slechts de individuele waarde van een deel van de producten. Welke van de verschillende productievoorwaarden zijn het, die de algemene waarde bepalen, zoals zij door de marktprijs wordt uitgedrukt? Het zijn die van de steden aanvankelijk en na het losmaken van het gildeverband, die van de onder gelijke condities producerende bedrijven, wier hoeveelheid koopwaren op de markt de doorslag geeft; het zijn in het normale geval de ondernemingen met gemiddelde voortbrengingskracht. Hier herhaalt zich dus voor de algemene of marktwaarde, wat voor de individuele waarde van de producten uit de afzonderlijke onderneming geldt: dat haar grootte niet wordt bepaald door de lakse of overijverige, maar door de brede meerderheid van de middenslag-arbeiders. Het is slechts uitzondering, dat de bedrijven met de gunstigste of de ongunstigste arbeidsvoorwaarden de markt voorzien van de grootste hoeveelheid koopwaren, in welk geval evenwel de marktprijs door haar verhoging of verlaging de vereffening van de verschillende individuele waardegrootheden in de richting van een van deze flanken aanwijst. Gemiddelde en noodzakelijke arbeidstijd als maat van waarde, kunnen en zullen meestal, maar behoeven niet identiek te zijn, zodra de koopwaren bij de realisatie van de verschillende arbeidshoeveelheden in hen belichaamd, kwantitatief gebonden zijn aan de marktwaarde. Maar door de arbeidsvoorwaarden van welke van de concurrerende bedrijven ook bepaald, de marktwaarde in haar gerealiseerde geldvorm: de marktprijs, stelt voor een deel van de koopwaren de ongelijke waardenruil tot voorwaarde, daar zij voor de producten, die onder de slechtere condities werden voortgebracht de inkrimping, voor die welke onder de gunstiger voorwaarden werden geproduceerd, de overschrijding van hun individuele waarde betekent. En het is deze methode van gedwongen geven-en-nemen, welke de schijnbaar willekeurige van het marktgesjacher beheerst.

De marktprijs in zijn voortdurende schommeling verraadt intussen de invloed van een andere factor nog dan de productiekracht. Want hoezeer deze voor het geheel van de afzonderlijke warensoort in de loop van de tijden moge stijgen, hoezeer zij mag wisselen voor het gedeelte, dat de marktwaarde bepaalt, de betrekkelijke traagheid van haar in de eerste plaats door de vorderingen van de techniek bepaalde wijziging laat de koortsachtig-snelle beweging van de marktprijs onverklaard. Hierin doet zich de invloed gelden van het zowel om de regelmatigheid als de mate van zijn optreden nieuwe verschijnsel van de afwijking van de aangeboden van de gevraagde hoeveelheid koopwaren; hier vertoont zich in de marktprijs de vereffening van de tegenstrijdige krachten van vraag en aanbod, die als categorieën van de tastbare werkelijkheid in het bewustzijn van de burgerman zich reflecteren als de onafhankelijke bepalers van de prijs en in de bepeinzing van zijn econoom, die het begrip meent te bereiken door de vergissing te vergroten, zich opblazen als die van de waarde zelf ... De productie voor de lokale markt vindt plaats onder omstandigheden, die de werking van vraag en aanbod tot een minimum beperken door ze gedeeltelijk door kunstmatige middelen, met elkaar in overeenstemming te houden. Het aanbod is in zijn werking gebonden aan de gildebepalingen, die de productie in haar streven naar uitzetting in toom gehouden door de vaststelling van een maximum van werktuigen, grondstof en arbeidskracht en door een belemmering van de mededinging van de buitensteedse beunhazen, die aan een verbod gelijkstaat. De vraag is bepaald door de stedelijke inkomstenverdeling, die eveneens door strenge voorschriften omtrent lonen en prijzen zoveel doenlijk is gefixeerd; waar deze onmachtig blijken om de voortzetting te waarborgen van de leefwijze op de aloude voet, worden zij aangevuld door wetten op weelde – op de betrekkelijke weelde van de gezellen vooral, wanneer deze tegen het einde van de middeleeuwen zich door klederdracht en tafelgenot gaan troosten met de zekerheid van de schijn van het meesterschap, naarmate de kansen der werkelijkheid hun ontglippen. En waar zij de betrekkelijke standvastigheid van de verhouding van vraag en aanbod trachten te forceren met “complotterijen” omtrent het “vuyl verklaren” (boycotten) van een “winkel” (werkplaats) of omtrent het “courten” (staken) tot algemene verhoging van loon of vermindering van werkuren daar wreekt zich met de haar eigene hardhandigheid de feodale traditie, gescherpt door het opkomend kapitalistisch instinct, door hen te “corrigeren aan de lijve” met het afhakken van de onwillige hand, met bloedige geseling of met ... tuchthuisstraf. – De algemene markt, zich uit de lokale ontwikkelend in een tijd, toen handel en verkeer nog geen van de bijzondere hulpmiddelen tot hun beschikking hadden, waarmee zij in de loop van de tijden leren de afstand, die er ligt tussen plaats en tijd van voortbrenging en die van verbruik tot een overzienbare te verkleinen, – de algemene markt, zoals zij zich aanvankelijk vertoont in de kerkmissen, middelpunt dikwijls een geografisch nog half onbekende wereld, betekent het teloor gaan van de stabiliteit niet alleen maar ook en vooral van de kennis van de omstandigheden, die vraag en aanbod in hun grootte bepalen. Onder het kapitalisme dat van de verbreking van de gesloten stadskringen uit, streeft naar de beheersing van productie en distributie op internationale schaal, bestaat er te minder kans dat vraag en aanbod samenvallen, naarmate dit streven door het betrekken van steeds nieuwe gebieden binnen de oude kring wordt verijdeld. Er bestaat slechts een toevallige samenhang tussen het gedeelte van de maatschappelijke arbeid, dat met de arbeidsverdeling aan een bepaalde categorie van de producenten is aangewezen, en het deel, dat de samenleving er in de ruil voor kan vergoeden. Want enerzijds ontbreekt onder de producenten onderling de verstandhouding, waaruit de bedoeling zou blijken en binnen zekere grenzen de mogelijkheid, het aanbod te fixeren – aan de andere kant is de vraag, afhankelijk van te wisselende omstandigheden, dan dat zij aan dit vaste aanbod de handhaving van een vaste marktprijs zou veroorloven. Immers is de vraag onder het kapitalisme, waarop wij hier enigszins vooruitlopen, direct afhankelijk, wat de individuele consumptie betreft, van de grootte van de delen, waarin het gehele maatschappelijk inkomen in zijn vormen van loon, ondernemerswinst, interest, grondrente uiteenvalt, en wat de productieve aangaat, van de grotere of geringere kans een tenminste gemiddeld voordeel te behalen. Het aanbod moet, indien de marktprijs zal samenvallen met de marktwaarde, voor elke soort koopwaren voldoen aan de maatschappelijke behoefte, die in de ruil, haar kwalitatief, fysisch-psychologisch karakter afleggend, alleen in de mate van haar van bovengenoemde factoren afhankelijke, kwantitatieve eigenschappen, als koopkracht zich kan doen gelden. De marktmaag heeft een rekbare grootte, maar een bepaald, hoewel onbekend en steeds weer naar de algemene toestand van het sociale lichaam zich wijzigend digestievermogen. Is bij de vaststelling van de marktwaarde alleen de wisseling in ’t oog gevat in de verhouding van de verschillende bestanddelen van de koopwarenmassa van een zelfde productiesfeer, hier wordt de koopwarenmassa in haar geheel beschouwd tegenover de wisselingen van de koopkrachtige behoefte, waarvan het afhangt in hoeverre deze marktwaarde zich zal kunnen realiseren. De prijs stelt het telkens weer verbroken compromis voor tussen de elkaar tegenwerkende invloeden van de gezamenlijkheden van kopers en verkopers, nu bij de marktwaarde achterblijvend, dan haar bereikend of haar overschrijdend. Hier openbaart zich in het verschijnsel der van de marktwaarde afwijkende marktprijzen voor de gehele hoeveelheid koopwaren van een bijzondere sfeer de wet, die voor het bijzonder product als eenheid tegenover het geheel geldt: dat de maatschappelijk-noodzakelijke arbeidstijd de maatstaf van haar waarde is. Waardevormend alleen is de arbeid, die maatschappelijk noodzakelijk is (productievoorwaarden) tot het scheppen van gebruikswaarden in de maatschappelijk-noodzakelijke hoeveelheid (koopkrachtige behoefte). – Stellen nu deze afwijkingen het verijdelen voor van de poging om op de markt het equivalent van de marktwaarde te vinden, in de aard van deze afwijkingen evenwel openbaart zich tevens de zekerheid van haar bereik. Want hoewel vraag en aanbod elkaar nooit dan toevallig dekken en de marktwaarde in dit opzicht niet is een categorie van de werkelijkheid, zo bepalen zij elkaar en hiermee de beweging van de prijzen, in hun wisseling zodanig, dat elke afwijking in de ene wordt opgeheven door een volgende in de andere richting. Dekken vraag en aanbod voor elk bepaald tijdstip elkaar nooit, voor elke periode van korter of langer duur dekken zij elkaar altijd. In hun verhouding ligt dus zowel de oorzaak van de afwijking als die van haar eigen opheffing. Zo vormt dus de marktwaarde het doorgangspunt, waaromheen de prijzen zich balancerend vereffenen; een middelpunt, waarvan de verplaatsbaarheid zelf blijkt uit het grote verschil tussen de gemiddelde marktprijzen van dezelfde waar – in verband met de veranderende geldswaarde – perioden op enige afstand van elkaar gelegen in de historische ontwikkeling van de voortbrengingskracht, perioden, waarin vraag en aanbod elkaar gelijkelijk neutraliseren. De overgang van de lokale tot de algemene markt stelt de graad van vermaatschappelijking van de arbeid voor, die binnen zekere grenzen van tijd het geheel van de koopwaren van eenzelfde productiesfeer veroorlooft zich tegen zijn waarde – de marktwaarde – uit te wisselen, op grond en ten koste van de ongelijke waardenruil van een deel van de producten. Deze ruil geeft aan de producenten van de koopwaren van lagere dan de marktwaarde gelegenheid tot het zich meester maken van een extra voordeel. Hij wordt in het kapitalisme voor de verschillende productiesferen afzonderlijk, de drijfveer tot het opjagen van de productiekracht tot haar hoogste spanning; hij opent de wilde jacht naar de extra winst.

III.

Het gaat de productiewijzen als de generaties van de mensen die hen scheppen en ondergaan: zij komen uit elkaar voort en vergezellen elkaar een eindweegs op de baan der ontwikkeling. Zo vormt zich uit en naast de sociale constructie, die in de marktwaarde het kort begrip van de samenhang zelf en de onderlinge onafhankelijkheid van de verschillende productietakken voorstelt, de hogere maatschappijvorm, die uit deze marktwaarde een overeenkomstige categorie afleidt als vereffeningsvorm van haar hoger verwikkelde verscheidenheden. In de marktwaarde komt nog slechts de ondergeschiktheid van de delen aan het geheel van de afzonderlijke productiesfeer tot uitdrukking, dit geheel staaft door de realisatie van zijn volledige waarde de zelfstandigheid van de afzonderlijke productiesferen. Waarde in deze hogere vorm is de afspiegeling in de ruil van de economische ontwikkeling, die met de vorming van de wereldmarkt in de gelijke koopwaren de verscheidenheid van hun herkomst uitwist en tevens met die van het gildewezen, dat de overdracht van arbeiders en productiemiddelen uit de ene in de andere sfeer bemoeilijkt of verhindert, in de verschillende koopwaren de verschillen van hun afkomst handhaaft. De marktwaarde is de vertolking van de bijzondere voortbrengingskracht, die koopwaren schept met een bijzondere, van alle andere onderscheiden gebruikswaarde. Hoezeer de abstracte arbeid de maatstaf van hun waarde is, in de mogelijkheid van de hele, door geen invloed uit andere sferen gewijzigde realisatie van deze waarde, handhaaft zich het specifieke van de arbeid nog in zoverre als het onafscheidbaar met deze zelfstandige zich onverkort tot gelding brengende voorbrengingskracht verbonden is. Maar dat het de abstracte arbeid is, welke hun ruilverhouding tegenover andere gebruikswaarden bepaalt, opent tevens het vooruitzicht, dat met de verstoring van dit zelfstandig karakter, zelfs deze schijn van de bijzonderheid van de arbeid zal verduisteren in de ruil. De kwalitatieve algemeenheid van de ruilmaatstaf, veroorlooft overeenkomstige kwantitatieve wijzigingen in de onderlinge waardenrealisatie van de verschillende gebruikswaarden als die voor dezelfde hun uitdrukking vinden in de marktwaarde. Het is de verdere, maar tevens de volledige ontwikkeling van het maatschappelijk karakter van de arbeid, die met de opheffing van de scheiding tussen de verschillende sferen, het verband van afhankelijkheid van de enkele aan het geheel van de gelijksoortige waren, zich doet herhalen tussen dit en de gezamenlijkheid van de koopwarensoorten. Het geld, de waarde in haar algemeenste vorm, is bij deze volledige socialisering van productie en ruil de theoretische voorloper zowel als de praktische wegbereider. Het is de gouden wig, waarmee het vervallende bouwsel van de feodale wereld uit zijn voegen wordt gelicht, het zilveren breekijzer waarmee de verschillende compartimenten worden gesloopt, waarin de gilde-industrieën hun eng en duf monopolistisch bestaan voortslepen. Het stelt ze in de frisse atmosfeer van het kapitalisme, waar de kleinen verkleumen en de groten zich harden, waar de stevige bries van de vrije concurrentie de sterken voortjaagt over de wankelen die vielen en waar de zoete winst gaat regenen over bozen en goeden, maar over de bozen ’t meest.

Door bemiddeling van handels- en woekerkapitaal, aanvankelijk verenigd in het bezit van de koopman, zet zich de splitsing van consument en producent, het uitgangspunt van de vorming van het geld, voort in die van producent en productiemiddel, de grondslag van het industriële kapitaal. Zij doorwoelen de bodem van de feodale productie en vernietigen zijn monotone struikgroei, niet om de oude stronken van de slavernij opnieuw te doen ontbotten, maar om de krachtige zaden van het kapitalisme te doen ontkiemen. De gildeproductie onderhield bij de producent het gevoel van eigenwaarde in een mate en bracht door haar arbeidsverdeling de verfijning van het productiemiddel tot een graad, die voor de een de ruwe behandeling van de slavendrijver en voor het ander die van de slaaf onbestaanbaar maakte. Maar tevens voerde de versnippering van de arbeid over een steeds stijgend aantal van kostbaarder werktuigen de eisen van bezit, voor wie zich het voordeel van hun planmatige combinatie wilde verschaffen, tot een hoogte op, waaraan zelfs de overgrote meerderheid van de meesters niet kon voldoen. Twee wegen staan nu open: of de individuele eigendom terug te brengen aan de gemeenschap, zoals deze zich in het stadswezen had ontwikkeld: het eigendomsrecht van de stad op sommige van de voornaamste productiemiddelen van de Amsterdamse lakenweverij stelt de eerste stap voor op deze weg, die slechts een omweg bleek tot bereiking van de anderen: de overdracht van de gezamenlijke productiemiddelen van de meest gedifferentieerde van de gilde-industrieën aan de minderheid der sterksten. De stad kon in ’t algemeen te minder als zelfstandige economische macht optreden, naarmate zij meer en meer gedrongen werd zelfs haar zelfstandig politiek karakter ten offer te brengen aan de zich formerende hogere staatseenheid. Deze centralisatie van de politieke macht houdt nauw verband met de decentralisatie van de productie, daar zij met de feodale arbeid haar economische kern, het gild, vernietigt. De productie wordt individualistisch; haar morele voorwaarden worden de persoonlijke verantwoordelijkheid en het particulier initiatief. En de sterkere krachten zijn er, maar vooralsnog buiten de productie zelve, die met haar streven naar de gelijkheid, de betrekkelijke laagte van het bezitsniveau ten gevolge had. De handel heeft ze gekweekt; de koopman is het kosmopolitisch element, dat het eerst zich vrijmakend van alle genootschappelijke hindernissen, aan de productie de eerste hulp er het opwekkend voorbeeld schenkt om de breeveertien op te gaan van het kapitalisme, dat de saai-eerbiedwaardige gildezeden treedt met voeten, die dansen om het gouden kalf van de winst. Maar vóór hij de producent in kan palmen, doet hij het de productiemiddelen. Voortaan heeft de producent niets dan zichzelf, zijn bekwaamheid en zijn verantwoordelijkheid; zijn eigendom houdt op bij toppen van zijn vingers, welke functioneren voor de handelaar-kapitalist, die behalve de talenten en de zorgen aan het commando verbonden, de rest bezit. Beiden zijn geworden, eigenaars jusqu’au bout des ongles, maar de producent in de minst verkieslijke betekenis. De middeleeuwse handelaar heeft hiermee zijn historische zending vervuld: na de koopwaren op de markt te hebben gebracht, dwingt hij de producent er te verschijnen, om deze het laatste, wat hij heeft, zijn arbeidskracht af te kopen, niet voor altijd, maar voor zolang hij haar met voordeel denkt te kunnen gebruiken. Nu is verkregen wat het gildewezen kon bestreven maar wegens de slagbomen van zijn eigen bepalingen en beperkingen niet kon bereiken: de zuivere scheiding tussen arbeider en kapitalist. Elk persoonlijk verband tussen het product en zijn maker is opgeheven; de eenvoudige ruil reeds betekent de onverschilligheid van de producent voor de gebruikswaarde; maar zolang hij in ’t bezit blijft van zijn productiemiddelen, komt in de waarde nog het karakter van de waar als vrucht van zijn arbeid tot uitdrukking; nu kan hij eveneens onverschillig zijn voor haar waarde en temeer voor de theoretische kwestie, in hoeverre deze samenvalt met de prijs, nu de praktische, wie deze prijs zal opsteken, eens en voor altijd is uitgemaakt in zijn nadeel. Met de theoretische vraag gaat zich weldra de wetenschap bezighouden, met de belangstelling voor de praktische belast zich de kapitalist; maar voor hem, die de arbeid beschouwt als de functie van een onmisbaar, maar relatief steeds geringer deel van zijn kapitaaluitgaven, is de waar niet langer vrucht van arbeid, maar waardeert hij haar in de prijs uitsluitend als vrucht van kapitaal.

Aan haar vrucht zal men het kennen. Doordringend tot de productie en hiermede de gehele samenleving hervormend naar zijn eisen, herziet het allereerst de grondwet van de ruil. Artikel 1 zal uitdrukking geven aan de eisen van de gelijke winstvoet. Van de kerk, waarin het aanvankelijk zijn markt hield, houdt het, nu het van de markt zijn kerk heeft gemaakt, ten minste deze regel in ere; gelijke monniken, gelijke kappen: gelijke winst voor hetzelfde kapitaal in dezelfde tijd. Maar met deze nieuwe regel is niet langer overeen te brengen, de oudere, volgens welke de warenhoeveelheid van eenzelfde sfeer tegen haar waarde werd van de hand gezet. En dit is het directe gevolg van de omstandigheid, welke het kapitaal de productie helpt binnendringen: de stijgende betekenis van het productiemiddel tegenover die van de arbeidskracht. Reeds in de marktwaarde, een specifiek-voorkapitalistische categorie, komt dit tot uitdrukking; want de verschillen tussen wat wij als betere en slechtere arbeidsvoorwaarden hebben aangeduid en waaruit die tussen individuele en marktwaarde voortvloeien, betreffen de productiemiddelen al meer en al minder de levenden arbeid. Aanvankelijk, toen de verschillende concurrerende steden allen voeling met elkaar hielden door middel van hun waren, mogen de verscheidenheden in arbeidsintensiteit en arbeidsduur het zwaarste gewicht in de schalen van hun waardenvergelijking hebben voorgesteld; maar zodra zij met elkaar in betrekking kwamen door de arbeiders zelf, moest deze invloed verzwakken; de zwerfjaren van de gezel, voor hij het meesterschap trachtte te aanvaarden, moesten een vereffening voorbereiden, die nog beslister werd bevorderd door het lokken van gehele zwermen handwerkers uit concurrerende steden in eigen korf. Het kapitalisme, dat met de opheffing van de bezwaren aan de nederzetting van vreemdelingen verbonden, de politieke muren slechtte lang voor dat de stenen poorten werden afgebroken, dat stok en ransel bergt bij overeenkomstige merkwaardigheden in zijn welvoorziene en steeds sneller aanzwellende verzamelingen van oudheden en de proletariër geworden handwerker, de last van het arbeidsmiddel of die van veel bagage besparend een vervoer per spoor waarborgt op een uitnodiging per telegraaf, – het kapitalisme, zonder evenwel volkomen te bereiken wat het bedoelt, ontwikkelt in hoge mate de middelen om de invloed van de levende arbeid op de verschillen in waardegrootte van de gelijksoortige waren op te heffen. Maar het gaat verder dan met het aanvuren van de concurrentie tussen de arbeiders van dezelfde productiesfeer alleen, het vindt zijn eigenaardigste opgave in het bevorderen van deze vereffenende wedstrijd tussen het verschillend prestatievermogen van de levenden arbeid van de productiesferen onderling. Het ontleedt de specifieke arbeid in onderdeden, die in hun geesteloze eenvoudigheid, de eisen van hun uitvoering onder het bereik van de meest elementaire menselijke vermogens brengen, en de onverschilligheid, die het werk voor anderen inboezemt, verdubbelend door die welke het werk zelf opwekt, verzwakt het de gehechtheid van de arbeider aan zijn vak dermate, dat moge zijn verslapte ondernemingsgeest hem zelf al weerhouden, niets het zijn kinderen doet om een enigszins andere wijze hun armen te gaan bewegen, noch hemzelf, wanneer hij op straat gezet, gedwongen wordt meer speciaal zijn benen te gaan gebruiken om zich en de zijnen de mond open te houden. Zoals in de bijzondere bedrijven van dezelfde productiesfeer, het gemiddelde van de arbeidskracht, mede onder invloed van het stijgend aantal arbeiders steeds geringer onderlinge afwijkingen vertoont, evenzo is het de tendens van het kapitalisme om deze verschillen tussen de productiesferen onderling op te heffen, al beletten vooral nationale eigenaardigheden, dat deze tendens groter resultaat heeft dan een belangrijke verkleining. De verhouding tussen wat de levende arbeid produceert, en wat zij produceert boven hetgeen haar eigen instandhouding vordert, tussen noodzakelijke en meerarbeid, beweegt zich naar een gelijk niveau onder het stelsel, dat de arbeid hervormt tot de functie van een koopwaar met het doel de meerarbeid te vergroten. In termen overgebracht, die passen bij dit stelsel, dat produceert voor en zijn karakter uitdrukt in de ruil: de verhouding tussen dat gedeelte van het functionerende kapitaal, dat dient tot instandhouding van de arbeidskracht, die groter waarde voortbrengt dan zij bezit, het variabele kapitaal en dit voortgebrachte surplus, de meerwaarde: de meerwaardevoet, van de verschillende productiesferen vereffent zich meer en meer. Werd dus het hele kapitaal, dat in enige tak van voortbrenging wordt gestoken in de vorm van arbeidsloon als variabel kapitaal gebruikt, dan zou de winst samenvallen met de meerwaarde en de winstvoet met de meerwaardevoet; de kapitalistische beoefening, die de meerarbeid als meerwaarde brengt in de handen van de bezitters van de productiemiddelen, bracht nog geen wijziging in de wet van de gelijke waardenruil, zoals hij in de marktwaarde tot uitdrukking komt. Maar een steeds groter gedeelte van het kapitaal wordt besteed aan de productiemiddelen, als constant kapitaal waarvan de waarde ongewijzigd in de waren wordt overgedragen. Bestond er nu voor alle productiesferen, wier koopwaren in hun ruil worden onderworpen aan de eisen van het kapitaal, een gelijke verhouding tussen het constante en het variabele gedeelte, hadden zij een gelijke organische samenstelling, zo ware door de gelijke verhouding tussen voortgebrachte meerwaarde en aangewend kapitaal, evenzeer de gelijkheid van winstvoet gewaarborgd met de ruil tegen hun waarde. De stand van de productiviteit in de productiesferen met wier leiding het kapitaal zich achtereenvolgens gaat belasten, is intussen even verschillend als de snelheid, waarmee in hun ontwikkeling evenzeer afhankelijk van algemene, zich in de marktconjunctuur uitende, als van technische uit hun eigen aard voortkomende oorzaken arbeiders worden vervangen door werktuigen, het kapitaalgedeelte, dat alleen meerwaarde voortbrengt zinkt tegenover dat, wat eveneens op meerwaarde aanspraak maakt. Hier moet dus de kapitalist, die slechts op de verhouding let tussen wat er, binnen zeker tijdsverloop, in de productie gestoken wordt en wat er uitkomt, en die, de koopwaar beschouwend als vrucht van zijn hele kapitaal, slechts oog heeft voor de invloed van de verandering in organische samenstelling op die van de winstvoet – hier moet hij de voorkapitalistische ruilwet verkrachten, die met de handhaving van de marktwaarde hem zou binden aan een hoeveelheid meerwaarde, die met de invoering van arbeidsbesparende werktuigen misschien absoluut maar zeker relatief daalt. Hier vraagt dus het theoretisch dilemma om oplossing: hoe voor de afzonderlijke productiesfeer de verhoging van de meerwaarde in zijn verschijningsvorm: de winst, kan worden gezocht en gevonden in een richting, die rechtstreeks leidt tot haar voortdurende verlaging.

De handelaar heeft wel voor heter vuren gestaan dan nodig zijn om deze theoretische tegenstellingen samen te smelten tot hun hogere synthese. Hij is wel durven beginnen met de verboden weg van de winstvorming zelf in te slaan, hij zal op die weg niet terugdeinzen voor de praktische middelen om haar te verdelen, niet volgens de regels van de meerwaardevorming, die hem even onbewust zijn als de meerwaarde zelf, maar volgens die van zijn handelsethiek. Hij heeft de ongelijke waardenruil tot grondslag van zijn bestaan gemaakt, hij handhaaft hem als grondslag voor zijn hoger welvaren nu, met zijn geleidelijke bemachtiging van de voornaamste productietakken, de zwellenden stroom van meerwaarde zich in de algemene bedding van de circulatie uit gaat storten. Maar vóór hij de productie als langs haar uitlopers van vervoer, verdeling en bewaring van de koopwaren binnendringt, heeft hij te vuur en te zwaard dikwijls, de verscheidenheden van de winstvoet in zijn eigen sfeer, de handel, reeds in de richting hun vereffening gedreven. Van de bijzondere winstvoet voor de leden van dezelfde plaatselijke handelscorporatie op dezelfde markt uitgaande, streeft het handelskapitaal in de richting tegengesteld aan die deze winstvoet in stand hield, in die der concurrentie, naar hun onderlinge vereffening. Aanvankelijk is het de concurrentie tussen de kooplieden van dezelfde stad op de verschillende markten, die een af- en toevloeien van kapitalen van en naar de magere en de vette handelslijnen veroorzaakt, welke de plaatselijke winstvoet nivelleert; maar dit is slechts de voorbereiding voor de ongelijk bezwaarlijker wedstrijd tussen de verschillende handelssteden op dezelfde en de verschillende markten onderling. Want hier maken de privilegiën, die de handel van de een toelaten of begunstigen en die van de ander bemoeilijken of verbieden de directe strijd met het wapen van de lagere prijs dikwijls onmogelijk, voordat scherpere wapens hebben gesproken. De bezems, die de legende het jonge Amsterdam laat voeren in zijn masten, zijn de huiselijke symbolen van de zeer onhuiselijke manier, waarop het zich tegen het midden van de vijftiende eeuw tegenover de Hanze, ruim baan heeft gemaakt voor de verhoging van zijn handelswinstvoet ten koste van zijn monopolistisch gezinde Oostzeeconcurrenten. “Wij Amsterdammers varen, al waer de winst ons voert, nae elke zee en kust.” Maar naarmate de politieke macht, in haar hoogste dragers, de vorsten en landsheren, tegen het einde van de middeleeuwen zich zuiverder als geldmacht moet uitspelen worden deze privileges steeds beweeglijker materie van vorstelijke handel en hun bemachtiging eenvoudige resultaten van de zich met elkaar metende kapitaalkrachten van de grote handelslichamen. Zij weten, wat er in de wereld te koop is, maar ook, hoe het moet worden gekocht: is de gunst van de vorsten niet direct te koop, zij verkrijgen haar indirect door hun gunstelingen om te kopen. Veilheid en geweld zijn de geheime deur en de openbare weg, waardoor en waarlangs de bezitters van het handelskapitaal elkaar de monopolistische buit voortdurend ontfutselen of ontroven. De elkaar tegenwerkende krachten in het streven naar het monopolie neutraliseren elkaar meer en meer en drijven het in de richting van de vrije handel. Het worden evenwel al minder de plaatselijke handelscorporaties, die zich belasten met de dubbele taak, de winstvereffeningen in alle richtingen mogelijk en feitelijk te maken. Zij worden daartoe onvoldoende en overbodig, want met de concentratie van de politieke macht van de steden in de grote moderne staten zijn het deze die de handelsverdragen sluiten en de handelsoorlogen voeren en daarbij een krijgsmacht kunnen uitrusten, waartegen de enkele stad, al is zij zo machtig als Amsterdam, het ten slotte af moet leggen. Zij worden daartoe overbodig en lastig, want met de concentratie van de economische macht in handen van enkele voorspoedige handelaars wordt de steun, die zij verzekeren onbeduidend tegenover de steun waarop zij aanspraak maken. Deze enkelingen springen uit de, hoewel reeds losse, gemeenschappelijke band, de “merchant adventurer” gaat drijven op eigen wieken, waarheen de gunstige kans hem lokt; de grote handelshuizen ontstaan, kleine familiegenootschappen onder eenhoofdige autoritaire leiding, de befaamde firma’s, die in de vijftiende en zestiende eeuw vooral, de geschiedenis maken van Europa. Vorsten en handelsvorsten, de voornaamste politieke en economische machten in nauw en onweerstaanbaar verbond, vernietigen het coöperatieve handelssysteem van de middeleeuwen. De handel wordt individualistisch en het vereffenen van de handelswinst wordt de taak van het individuele kapitaal.

Het binnendringen van het handelskapitaal in enige tak van productie is een blijk, dat hier alvast het proces van de winstvereffening in zoverre is voltooid, dat de winstverhoging het gemakkelijkst op abnormale wijze kan worden bereikt. De textielindustrie is de eerste, die de handelaar binnenlaat. Het is een luxe-industrie, die voor de afzet van haar artikelen zijn bemiddeling behoeft en die, enerzijds door de onstandvastigheid van de buitensteedse marktbehoefte, anderzijds door de vergevorderde differentiatie van haar techniek, in hoge mate de voorwaarden ontwikkelt voor kapitalistische beoefening. De handelaar verkleint het risico en verlicht de last van de kleine handwerksmeester door hem de grondstof te verschaffen en hem deze op vastgestelde condities te laten bewerken. Dit eerste optreden van het kapitalisme maakt een zeer aangename indruk: de kleine meesters kunnen zich verblijden zowel in de schijn van het behoud van hun maatschappelijke positie als in de grotere zekerheid van hun maatschappelijk bestaan; zij zijn de verborgen loondienaars geworden van de handelaar, maar de openlijke meesters gebleven tegenover hun knechten. De koopman op zijn beurt verheugt zich in de verhoging van zijn winst. En zo zou iedereen ten slotte tevreden kunnen zijn, wanneer niet de aard van het kapitalisme, het plezier van de een te vereffenen met het displezier van de ander, zich zelfs in deze kinderlijke vorm vertoonde. Degene die het gelag betaalt van deze algemene vreugde is de concurrent. Want de handelaar maakt de markt deelgenoot van de uitbreiding van zijn affaire door een prijsverlaging, tot verzekering zowel als tot versnelling van zijn omzet. Nu is de concurrent gedwongen zijn voorbeeld te volgen en zeer geneigd het voorbij te streven. En de kans daarvoor is schoon, zolang met de grondstof slechts een gedeelte van de arbeidsmiddelen in constant kapitaal is omgezet. Het ontbindingsproces van de feodale productie kan door allerlei omstandigheden tot staan worden gebracht bij de kapitalisering van het “circulerend” gedeelte van de productie-elementen: de kleine meesters houden zich in stand door verregaande uitbuiting van eigen en andere arbeidskracht; het handelskapitaal, dat hen in zijn macht heeft, vertoont zich alsdan in die conservering zowel als in de uitputting van de productie de moderne voortzetting van het feodale woekerkapitaal; het vertoont dit in ’t oog lopend parasitaire karakter nog tot in onze dagen in allerlei vormen van huisindustrie. Maar het vindt zijn revolutionaire roeping en het volgt die overal, waar de ontwikkeling van de techniek door de hogere eisen van bezit die zij stelt, de tegenstand van de handwerksmeester breekt, in het bemachtigen van het nog resterend gedeelte van de productiemiddelen, in de omzetting van werktuigen, gebouwen etc. in “vast” kapitaal. Zo drijft de concurrentie de handelaar in de ene productietak voor, de anderen na, tot verhoging van de winstvoet in de richting van de zuivere kapitalisering van het voortbrengingsproces.

Deze winstvoet is aanvankelijk geen andere dan de handelswinstvoet zoals hij zich door de concurrentie in en buiten de betreffende handelssfeer benaderend heeft vereffend tot een algemeen gemiddelde. Hij vond oorspronkelijk zijn grondslag in de, met de waarde geen verband houdende monopolieprijs; de producent verkocht zijn waar tegen de waarde aan de koopman zo goed als aan ieder ander, die een bestelling deed, de handelswinst werd bijgepast door de buitensteedse of buitenlandse koper. Maar zijn oorsprong verplaatst zich naar de producent, naarmate de concurrentie op de algemene markt de monopolieprijs neerdrukt tot op de hoogte van de marktwaarde en tevens in het productieproces met de technische ontwikkeling de loonarbeid begint. Hij berust niet op de “rechtvaardigen prijs” van de koopwaren, die de kerkelijke moraal wil vaststellen in verband met billijke beloning voor de productieve diensten van vervoer, bewaring, etc., hij is geen beloning voor arbeid, maar winst: beloning van kapitaal, bijgepast uit de meerarbeid van anderen, aanvankelijk van de koper, ten slotte van de verkoper. Aan het einde van de middeleeuwen, tegen de tijd, dat de handelaar middellijk als haar leider optredend, de productie verenigt met de circulatie, vindt zijn winst, voor zover de loonarbeid zich heeft ontwikkeld, haar bron in de meerwaarde, waarvan de meesters hem een gedeelte moeten afstaan. Maar hoewel deze vereniging de grondslag legt voor een kwantitatief verband tussen meerwaarde en winst, zolang de algemene winstvoet nog geregeld wordt door de grote massa van het kapitaal buiten de productie, bestaat er alleen in zoverre verband tussen winst en meerwaarde, dat er geen winst gemaakt kan worden waar geen en niet meer dan er meerwaarde wordt voortgebracht. Valt nu de handelaar, naarmate hij meester zowel als gezel van hun sociale bagage ontlast, in het product de hele hoeveelheid onbetaalde arbeid als meerwaarde toe, de kwestie in hoeverre deze onvermoede, abstracte schat zich voor hem stoffelijk realiseert in klinkende munt, blijkt zozeer onafhankelijk van haar eigen grootte, dat hij haar door zijn prijsverlaging voor een deel wegschenkt aan de buitenlandse koper. Hij verkoopt tot verhoging van zijn winstvoet onder de tot dusverre geldende marktwaarde en hij gaat voort daaronder te verkopen, tot hij evenals de concurrent, die hem op de hielen zit, opnieuw is aangeland bij de, inmiddels wellicht gewijzigde en waarschijnlijk gedaalde algemene handelswinstvoet. Opnieuw maakt hij dus de prijs los van de waarde, maar niet zoals in de monopolieprijs, uit kracht van zijn onafhankelijkheid maar van zijn gebonden-zijn aan andere sociale momenten. Als norm der prijzen vervangt hij de marktwaarde door de productieve kapitaaluitgave, vermeerderd met de gemiddelde winst: de productieprijs.

De nieuwe, door de handelaar ingeleide productiewijze, die voor zover zij vaste voet krijgt, het kapitaal een onbelemmerde toegang verleent tot de bron van zijn vruchtbaarheid, de arbeidskracht, die haar in zijn rechtstreekse dienst stelt en met de vrijere keuze van de omstandigheden, waaronder het haar laat functioneren en de grotere willekeur, waarmee het haar functies beloont, binnen weldra met langer door de wet getrokken, maar door de veranderlijke hoedanigheden van de productie-elementen zelf bepaalde grenzen, de omvang regelt van de onbetaalde arbeid – het kapitalisme, de meerwaarde scheppend en beheersend, maar onbewust, begint met haar voor de bijzondere productiesferen, voor zover het die het aan zich onderwerpt, kwantitatief onafhankelijk te houden van haar belichaming, de bewust bedoelde winst; de waarde losmakend van de prijs, heft het de marktwaarde op als norm der marktprijzen. Maar prijs en waarde, al zijn het niet langer economische dubbelgangers, blijven in hun beweging dezelfde richting volgen. Want het streven naar de extrawinst, dat met de individualisering van ruil en voortbrenging, het krachtigste en effectvolste motief wordt van de economische handelingen, vindt naarmate de marktverhoudingen zich consolideren en de beweging van vraag en aanbod als resultaat van de ondervinding aan een beperkte speelruimte wordt gebonden, haar enigste uiting in een verbetering van de productievoorwaarden, die voor dezelfde hoeveelheid koopwaren de kapitaaluitgave verkleinend, prijsverlaging identiek maakt met waardevermindering. Zo levert de arbeidsmethode de ammunitie, waarmee op de markt gestreden wordt; de prijs is het zwaard, zijn specie is de waarde, hoe meer er wordt afgeslepen, hoe vlijmender treft het scherp ... Zo drijft de concurrentie het handwerk in de manufactuur. En deze, met haar vereniging van grote arbeidslegers in hetzelfde gebouw, met haar arbeidsverdeling en haar vermeerdering en verlenging van de arbeidsdagen, kan de prijs- en waardenverlaging aanvankelijk nog bereiken, terwijl zij tevens de meerwaardevoet vergroot en haar winstvorming nog niet in scherpe tegenstelling brengt met haar meerwaardevorming. De manufactuur, zelf dikwijls het voorwerp van overheidszorg en bedeeld met voorrechten, die haar krachtig moeten maken op de buitenlandse markt, is een kapitalistische voorloper, die slechts schoorvoetend door de andere bedrijven der sfeer wordt gevolgd. Zij blijft in ’t algemeen gebonden aan het handwerk, zij beschikt slechts over de primitiefste vormen der machine en zij kan zich zo weinig losmaken van de handenarbeid, dat zij zelfs deze voor een groot gedeelte met de hand moet laten drijven. De manufactuur mag het gilde ter zijde dringen, zij kan het gilde niet dooddrukken. Haar prijsvorming houdt enerzijds verband met die volgens de marktwaarde van het grootste gedeelte van de, nog voorkapitalistisch beoefende bedrijven van haar eigen sfeer, aan de andere kant met de handelswinstvoet. Zij kan in de sferen, die zij binnendringt de productiviteit nog niet ontwikkelen in die mate, dat zij door hare waarde- en prijsverlaging de oudere productiewijze kan uithongeren en haar intensieve ontwikkeling van de productie als een extensieve aan de hele sfeer kan opdringen. De voor- of half-kapitalistische voortbrenging, steunende op het hele of gedeeltelijke eigendom van de producent van zijn productiemiddel, blijft voor vele vakken de regel en zijzelf daarin een meer vreemde dan gevreesde uitzondering. Maar de jagers naar extrawinst, de padvinders van de productieve vooruitgang, doen de betere machines uitvinden en de stoom ontdekken: de fabriek emancipeert zich van de arbeider, zonder nochtans, voor zover zij hem nodig heeft, de middelen te versmaden van de manufactuur tot uitbuiting van zijn arbeidskracht. De manufactuur begint met arbeiders tot zich te lokken, de fabriek eindigt met ze op straat te zetten. De poging om de waarde- en in verband daarmede de prijsverlaging van eenzelfde hoeveelheid gebruikswaarden te bereiken, zoekt zij hoofdzakelijk door een relatieve verkleining van het variabel kapitaalgedeelte. Het kapitaal in zijn beide ontwikkelingsvormen van manufactuur en fabriek, werkt op twee aan elkaar tegenstrijdige wijzen in op de meerwaardevorming: het zocht het aantal meerwaardevormers te verkleinen en tevens uit elk van hen een grote hoeveelheid meerwaarde te slaan. De ontwikkelingsgang van handwerk tot grootindustrie is gebonden aan de bevordering van het proces in beide richtingen; maar voor de manufactuur met zijn geleidelijke perfectionering van het werktuig, betekent hij de langzame, voor de fabriek met de toepassing van de stoom, de plotselinge vergroting van de meerwaarde verlagende kracht en een versnelde beweging in hare richting ... De tendens van het kapitaal om onafhankelijk van de meerwaarde, die het zelf produceert, zowel meerwaarde te realiseren in zijn winst als door de algemene winstvoet wordt aangewezen, moet op deze ontwikkelingshoogte van de productiviteit zich uiten in politieke vorm. De fabriek moge aanvankelijk zijn extrawinst trekken uit de hoge productieprijs van de achterlijk-kapitalistische bedrijven, – met haar aanzwellende warenmassa’s verplaatst zij deze marktproductieprijs in de richting van haar hogere productiviteit, verlaagt de extrawinst, vernietigt haar en dreigt het ten slotte de winst zelf te doen, wanneer niet een deel van het concurrerende kapitaal een uitweg vindt uit het voor allen dodelijke marktgedrang. Maar terwijl zij hongert naar de meerwaarde, wier groei op het kaalgegraasde terrein, waar allerlei wettelijke bepalingen haar nog besloten houden, afneemt met het groeien van haar vraatzucht liggen rondom haar de talrijke akkers van de gilde-industrie, waar men tot over de knieën door de meerwaarde waadt en de mogelijk geworden maar wettelijk belemmerde verbetering van de techniek een zware oogst van extrawinst belooft. Zo versterkt het kapitaal de druk, die reeds van de manufactuur uitging, met het ontstaan van de machine tot een drang, waaraan het reeds in ontbinding verkerende gilde niet langer weerstand kan bieden. Het kapitaal, geboren onder het geweld van de roof van de “oorspronkelijke accumulatie”, viert zijn meerderjarigheid met het revolutionaire rumoer van de strooptochten, waarop over het Europa van de achttiende en negentiende eeuw de privileges worden gekaapt en vernietigd en de vrijheid van exploitatie, de gelijkheid van de kansen en de broederschap in de verdeling van de meerwaarde gevestigd.

Met deze vrijbrief gewapend, dringt de hogere productievorm alle sferen van de industrie binnen, waar en in de mate waarin hun technisch karakter dit toelaat en het weerstandsvermogen van de aan het privaatbezit van hun oude, achterlijke productiemiddelen zich vastklemmende kleine producenten hun dit niet belet. Hij maakt zich meester van de markt, de binnen- en de buitenlandse. Langs de zich snel vertakkende aderen van het verkeer, verspreidt hij zich als een stroom van jeugd door alle delen van het sociale lichaam. De bedrijven met lagere kapitaalsamenstelling doodconcurrerend evenals het handwerk, vult zij de voortdurende, hier langzaam voortsluipende, daar stormachtig zich voltrekkende wettelijke onteigening van wat de manufactuurperiode nog aan schatten van productiemiddelen heeft gelaten in het bezit van de kleine boer en handwerksmeester of wat de fabrieksperiode bij zijn intrede heeft gesteld in dat van de eerste (Frankrijk), aan met de ontkapitalisering van de kleine kapitalisten. De machine maakt de hele productie kapitalistisch en dringt aan iedere sfeer de prijsvorming op niet langer volgens of in verband met de marktwaarde, maar volgens de productieprijs. En deze productieprijs, aanvankelijk even onafhankelijk van de in het bedrijf zelf of in de grotendeels nog voorkapitalistisch beoefende sfeer voortgebrachte meerwaarde als van de maatschappelijke meerwaarde in het algemeen, waarop het beslag legt in de mate, waarin het aan het handelskapitaal gelukte zich er meester van te maken – deze ontwikkeld-kapitalistische productieprijs treedt door het winstelement, dat hij bevat, in rechtstreeks-kwantitatief verband met de gezamenlijke hoeveelheid meerwaarde, waartoe elke sfeer haar deel bijdraagt. Met de opheffing van de wettelijke belemmeringen, die de vrije stroming van kapitaal in en uit de sferen met verschillende kapitaalsamenstelling beletten en tevens de snelle en radicale vereffening van de verschillen van winstvoet, welke ontstaan als resultaat van de inertie van de marktprijzen en de verschillende ontwikkelingssnelheid van de productiviteit, en tevens met de ontwikkeling de techniek van geld- en warenhandel – met en in de mate van vervulling van deze negatieve en positieve voorwaarden van de vloeibaarheid van het kapitaal, vereffent zich deze winst tot een gemiddelde, dat de realisatie is van de gemiddelde grootte van de onbetaalde arbeid. De ongebreidelde concurrentie, het opheffen van het monopolie in de nijverheid niet alleen, maar met het vernietigen van de stapelrechten en van de tollen en het instellen van kapitalistische betrekkingen tussen koloniën en moederland, in de handel eveneens, beduidt het doorsteken van alle dijken en het samenvloeien van de meerwaarde tot hetzelfde peil boven de kapitaalbodems van de verschillende sferen van productie en circulatie. In hoe verschillende mate de meerwaarde moge opwellen uit deze uiteenlopend samengestelde bodems, de vrije circulatie van kapitaal – arbeidskracht en productiemiddelen – streeft naar en bereikt benaderend haar gelijke diepgang, zelfs boven het steriele oppervlak van het handelskapitaal. En hiermede is tevens de ondergeschiktheid van de handelswinstvoet aan die der industrie geconstateerd. Het industriële kapitaal deelt niet langer als ondergeschikte in de winstvoet, die het handelskapitaal, dikwijls langs de abnormaal-kapitalistische weg van roof en afzetting zich heeft gevormd, het handelskapitaal deelt in de meerwaarde, die het industriële door middel van de normaal-kapitalistische, contractuele, roof zich heeft toegeëigend. Evenals de woekerwinst aanvankelijk de handelswinst bepaalde, zolang de handel in noodgevallen zijn toevlucht moest zoeken bij de woekeraar, maar als interest van deze handelswinst afhankelijk werd, zodra het een onderkomen moest vinden bij de handelaar, evenzeer moet zich de handelswinst gaan richten naar die van de industrie, zodra in de industrieel, die zijn eigen exportkoopman wordt, de kiem zich vertoont van de grootkapitalistische verhouding, waaronder de industrie niet langer door de handel naar de markt wordt gelokt, maar in haar drang naar warenafzet en kapitaalaccumulatie de handel dirigeert naar de markten, die er zijn en dringt naar de plaatsen, waar zij wil dat er komen. Het industriële kapitaal belast zich naast de productie met de distributie van de meerwaarde. Het handelskapitaal krijgt als compagnon en gelijk, het vroegere woekerkapitaal als dienstbode een ondergeschikt deel.

Zo maakt de kapitalist, die de prijs krijgt in zijn handen en de productieprijs heeft in zijn hoofd, ten opzichte van de waarde, die hij kent noch vermoedt, de ongelijke waardenruil tot de algemene wet. De gelijke waardenruil, die met en als gevolg van de economische ontwikkeling, zich van de afzonderlijke waar verplaatst naar de warenmassa van de productiesfeer handhaaft zich ten slotte enkel voor het geheel van in- en verkoop binnen de grenzen van een zekere tijdsperiode. Winst en meerwaarde dekken elkander alleen in algemeen-maatschappelijke zin. Van de marktwaarde uit, waarin zij samenvallen, dalen waarde en prijs met de ontwikkeling van de productiviteit en van het verband tussen de verschillen van hun ontwikkeling in de afzonderlijke sferen, zodanig, dat naar mate, bij veronderstelde gelijke meerwaardevoet, de kapitalen een hogere of lagere samenstelling hebben dan de gemiddeld maatschappelijke, de waarde daalt onder de prijs of omgekeerd, tot op de hoogte door de gemiddelde meerwaarde aangegeven. Waarde en productieprijs vallen dus samen en de gelijke waardenruil handhaaft zich alleen voor de sfeer in ’t algemeen of voor een bedrijf in ’t bijzonder, waarin het kapitaal het gemiddelde van de talloze samenstellingen vertoont. In de productieprijs, die hij kiest tot uitgangspunt van zijn kansrekeningen, anticipeert de industrieel deze gemiddelde meerwaarde als wettige toeslag op zijn waardenuitgaaf aan constant en variabel kapitaal. Het is deze winst, die hem in het normale geval al slapend toevalt. Maar zijn wakkerheid richt zich op de extrawinst, die hij trekt uit een verhoging van de productiviteit of van de uitbuiting van zijn arbeiders boven het gemiddelde van zijn sfeer. Het is deze winst eveneens, die een hele sfeer zich met dezelfde middelen kan toe-eigenen tot tijd en wijle nieuw kapitaal, de concurrentie verscherpend, zijn winsthonger komt stillen aan deze abnormaal-vette kluiven. De meer dan kapitalistisch-billijke hoeveelheid meerwaarde, die met de verhoogde productiviteit aan andere sferen is onttrokken of met de verhoogde uitbuiting daaraan is onthouden, vloeit of vloeit terug naar het algemeen reservoir. Maar één sfeer is er, die aan deze vrije circulatie van de meerwaarde weerstand is blijven bieden en uit kracht van de bijzonderheid van haar voornaamste productiemiddel, haar extrawinst tot een normaal verschijnsel heeft gemaakt: de sfeer der agrarische industrie. Naast de normale, gemiddelde winst, waarvan de functionerende kapitalist, de pachter, zich meester maakt, staat de landheer, die deze extrawinst opstrijkt. Dit is de kapitalistische grondrente, waarmee overeenkomstig het maatschappelijk-aristocratisch karakter van het bezit, waarop zij steunt, de economische democratie van het kapitaal: de gelijke winstvoet, wordt verkracht.

_______________
[1] Hollandse boeren werden reeds in de 13e eeuw vooral naar “’t vette land van Pruissen” gelokt waar zij moerassen drooglegden en de vrijheid verwierven, die hen, Friesland uitgezonderd, hier te lande nog onthouden werd.
[2] Leeghwater telt in zijn Haarlemmer-Meer-Boek niet minder dan dertig polders op, die tegen het midden van de zeventiende eeuw in Noord-Holland waren drooggemaakt. Soms liep het fout met deze koopmansspeculaties (“een van de noodwendigste, profytabelste en Godzaligste dingen in Holland”, noemt L. ze). Men zal zich herinneren dat Willem Ussellincx, de geëmigreerde Antwerpenaar en onvermoeide ijveraar voor de oprichting van de West-Indische Compagnie, zijn fortuin verloor, door de doorbraak van de eerste dijk om de Beemster. Hoe snel deze agrarische ontwikkeling van Noord-Holland zich voltrok is na te gaan uit deze meer geciteerde episode, die men vindt in zijn “Kleyn Chronykje” van Graft: “Daar is mij mede wel verhaalt van een Molenaar, die op de Watermolen van de Opdammer en Hensbroeker Polder was, dat zijn Grootvader die Watermolen aldereerst gemalen hadde, hetwelk een van de eerste Watermolens in Noord-Holland was, waar van de Boeren zeer verwondert waren, ende zeiden, wat zal dat ding hier doen; men zal niet een Ey in ’t veldt konnen vinden. Des Somer daags gingen de Boeren in ’t, veld om eieren te zoeken met een lijn over ’t riet heen, dat de wilden Eenden en Vogelen op vlogen, en zochten in een korten tijd een mant vol eieren.” Na deze mededeling van de onvriendelijkheid, waarmee dus ook de boeren de eerste machines ontvingen, verhaalt L., wiens boekje één wonderverhaal is van de opgang van zijn provincie na de “Troubeltijd”, van de rijke productie op het drooggehouden land, “het welke bij de eyeren nauwelijks een boon te vergelijken is”.
[3] Zie de lofspraak op Holland in verband met zijn invloed op de Engelse landbouwcultuur bij Thorold Rogers, Die Geschichte der Englischen Arbeit (Six Centuries of Work and Wages) blz. 356-358.
[4] Hoe oordeel en gevoel van de mens en zelfs van de hoogleraar omtrent aardse en hemelse zaken aan economische invloeden onderhevig zijn, mag blijken uit de volgende agrarische dithyrambe, ontleend aan Uilkens’ redevoering bij de aanvaarding van zijn hoogleraarsambt in de Landhuishoudkunde, Groningen, 1819: “Een wetenschappelijke, zowel als dadelijke beoefening der Landhuishoudkunde zal op verstand en hart, op kennis en zeden, de grootste invloed hebben. Immers, wat ontwikkelt, meer ons denkvermogen, wat geeft ons een uitgebreider gezichtspunt, wat scherpt ons verstand meer op, wat bestiert ons oordeel meer naar waarheid, wat maakt ons meer tot zelfdenkende, het gezond verstand en de natuur, de beste der leermeesteressen, volgende mensen, wat verbindt ons onderling nauwer te samen, wat stemt het hart meer tot stille deugden, wat kweekt meer goedwilligheid aan, wat bevordert meer kinderlijke onderwerping aan het hoge Godsbestuur, wat verheft meer het hart in dankbare aanbidding tot de Vader van de lichten, dan de kennis en beoefening van de Landhuishoudkunde?” (De boeren uit “La Terre” hebben wat gemist!) Deze en nog enkele historische bijzonderheden zijn aangehaald uit Mr. H.T. Koenen’s: De Nederlandsche Boerenstand.
[5] ... “Jeugdige Godgeleerden, om tot het examen voor de predikdienst te worden toegelaten, moesten althans een jaar lang de cursus over landhuishoudkunde hebben bijgewoond. D.N.B.
[6] Zie deze bewering bij Kropotin La Conquête du Pain. (4e ed. blz. 96).
[7] Laspeyres, Geschichte der volkswirthschaftlichen Anschauungen der Niederländer, p. 204.
[8] ... “diese erste bewusste und planmässige Rückwirkung der Gesellschaft auf die naturwüchsige Gestalt ihres Produktionsprozesses” ... (Marx, Kapital I, 4de druk, p. 446.)
[9] Marx, Kapital I, 4de druk, p. 440-443.
[10] Zie de Technische Mededeling. De Nieuwe Tijd, 2e Jrg. afl. 7. De wetenschap had de aard van de zuivelbereiding erkend als afhankelijk van bacteriologische processen en deze ontdekking had een algemeen-praktisch karakter verkregen door de afzondering en het kunstmatig kweken van de gewenste bacteriën: de “reinculturen”. Op deze hoogtestand van de kennis was deze alleen winstgevend aan te wenden bij fabrieksmatige toepassing onder medewerking van een staf van bacteriologen. Maar in verband met de stand van de agrarische ontwikkeling, die gekenmerkt is door klein- en middenbedrijf, wist men zeer spoedig te bereiken deze half-vloeibare reinculturen in vaste vorm tegen lage prijs en met een eenvoudige gebruiksaanwijzing in de handel te brengen. En hiermee is tevens de keuterboer bereikt; gaat deze en met hen zijn lagere bedrijfsvorm teniet, hij zal het voor ditmaal alweer niet aan de wetenschap te wijten hebben.