Evald Iljenkov

Humanisme en wetenschap


Geschreven: zonder jaartal
Bron: Engelstalig MIA, in het Evald Ilyenkov Archive
Eerste publicatie: Science and Morality, Progress Publishers
Opgelet: dit is een vertaling van een vertaling
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Kritiek der grondslagen van onze tijd
De mens is het hoogste wezen voor de mensen
Hun moraal en de onze

De lezer heeft kennisgemaakt met verschillende standpunten over een probleem dat op de een of andere manier elke nadenkende mens in onze tijd aangaat. De lezer is deelnemer geworden aan deze discussie. Men hoeft geen filosoof te zijn om de wezenlijke verschillen te zien in het oplossen van het betreffende probleem. Ook wij zullen een poging doen om onze eigen mening te verwoorden, zonder de pretentie te hebben een definitief antwoord te bieden.

Van primair belang is een formulering van het essentiële aspect van het probleem waarmee alle auteurs in dit boek worstelen, ondanks de duidelijke verschillen die hen scheiden. Dit is belangrijk omdat het soms lijkt alsof verschillende benaderingen van de kwestie maar discussies zijn over verschillende kanten of aspecten, maar niet (vaak tegengestelde) manieren om één en dezelfde kwestie op te lossen. Deze ene en dezelfde kwestie moet voortdurend in gedachten worden gehouden, zo beknopt en scherp geformuleerd als mogelijk. Pas dan kan, op basis van de door de auteurs aangevoerde argumenten worden beslist welke weg leidt naar een oplossing en welke niet. Anders blijven we achter met de indruk dat elke benadering gedeeltelijke glimpen van de waarheid bevat en, evenzeer, dat elke benadering zowel vooringenomenheden als fouten bevat. Maar de waarheid is nooit voortgekomen uit een simpele optelsom van “verschillende” aspecten of door eenmaking van uiteenlopende standpunten.

Wat is in feite de vraag die iedereen verontrust? Kan ze zo worden geformuleerd dat elke discussiant erin het voorwerp van zijn eigen denken herkent? De vraag correct formuleren is al een flinke stap op weg naar een oplossing. Daarom begint een authentiek theoretisch betoog altijd met de theoretische formulering van het probleem.

Het is goed wanneer hierover vanaf het allereerste begin overeenstemming wordt bereikt – op zijn minst moet deze overeenstemming tot stand komen. Anders blijft de formulering van het geschil onvoldoende nauwkeurig gearticuleerd. Er moet worden getracht het probleem tot het niveau van een tegenstrijdigheid te brengen, want elk authentiek probleem, zo leert de dialectiek ons, moet voor de geest verschijnen in de vorm van een intense en onopgeloste tegenstrijdigheid, in de vorm van een antinomie.

Als we voorlopig de puur theoretische formulering van het probleem terzijde laten en het benaderen in een begrijpelijke vorm zonder dat er uitputtende definities en uitleg nodig zijn, zal een dergelijke benadering ons in staat stellen de gegeven theoretische formuleringen te evalueren.

Wat is de kern van dit reële en vitale probleem dat ieder van ons bezighoudt, dat ieder van ons in meer of mindere mate heeft onderkend en op een min of meer duidelijke wijze heeft verwoord?

Ieder van ons is zich bijna letterlijk vanaf onze kindertijd bewust geweest van de dissonantie tussen de conclusies van het verstand en de dictaten van het hart, van het frequente conflict tussen de stem van het geweten en de berekeningen van onze rede. Ieder van ons weet dat soms “omstandigheden” een handeling opleveren die in tegenspraak is met ons geweten, met ons gevoel voor vriendelijkheid en fatsoen; we zijn bekend met het tegenovergestelde, wanneer het verlangen om een “goede daad” te verrichten wordt overweldigd door de kracht van de “omstandigheden”. Soms geven we er de voorkeur aan ons aan deze omstandigheden te onderwerpen, op andere momenten handelen we “onverstandig” maar “nobel”, zonder ons illusies te maken over succes ...

Het is duidelijk dat we een dergelijke tegenstrijdigheid ervaren als dissonantie en afwijkend, die noch gemoedsrust, noch rustige bezigheden brengt. Dit conflict van motieven, tussen “kille overpeinzingen van de geest en de bittere inzichten van het hart”, is natuurlijk geen verraderlijke uitvinding van voorstanders van filosofisch dualisme. Het is (ten goede of ten kwade) de essentie van de werkelijkheid, het centrum van ons leven en onze gedachten.

Onze planeet is helaas slecht toegerust om geluk te bieden. De huidige aardse omstandigheden, zijn zodanig dat er geen automatische handleiding voor handelen is die tot in het kleinste detail samenvalt met ons aangeboren verlangen om het welzijn en geluk van iedereen op aarde te bewerkstelligen. Juist de “omstandigheden” rondom onze handelingen zijn tegenstrijdig. Vaak moeten we iemand kwaad doen om een goede daad voor een ander te verrichten, en vice versa.

Is het, gezien deze situatie, mogelijk een universeel principe te vinden, een algemene formule die een foutloze besluitvorming garandeert?

Het is natuurlijk denkbaar om eens en voor altijd te besluiten om onwankelbaar de “stem van het geweten”, de “dictaten van het hart” en het “streven naar het goede” na te streven. Men kan besluiten de principes van absolute en compromisloze eerlijkheid, oprechtheid en directheid te volgen, ongeacht overwegingen ten aanzien van andere mensen en andere feiten en ondanks de waarschuwingen die de rede geeft in haar beschrijving van de relevante omstandigheden. Men kan zich daarentegen uitsluitend baseren op de rede, op een nuchtere afweging en inschatting van alle omstandigheden, op de wiskundig rigoureuze geest, en onwankelbaar vertrouwen stellen in deze geest – zowel wanneer de conclusies overeenkomen met de directe morele intuïtie als wanneer ze tegengesteld zijn.

Welk van deze principes verdient de voorkeur, welke is het meest correct?

Zal men de keuze tussen deze twee riskeren, vooral na dit boek van kaft tot kaft te hebben gelezen? Uit de voorgaande hoofdstukken kan met zekerheid worden geconcludeerd dat elk van de voorgestelde oplossingen een zekere logica bevat en dat elk, in zijn rigoureuze zuiverheid, in identieke mate abstract is. Met andere woorden, vanuit een meer genuanceerd standpunt is het risico onredelijk.

In feite spreekt de eerste oplossing aan door haar morele verhevenheid, vaak bezongen in de grote kunst van de wereld. Don Quichot, prins Mysjkin in Dostojevski’s De idioot, Siegfried (Der Ring des Nibelungen) ... Maar het is het lot van een martelaar. Bovendien is de martelaar hier niet alleen protagonist, maar ook de principes. Een nobele instelling zonder rationaliteit, bekeken door de lens van de “omstandigheden”, komt soms over als een karikatuur en soms als een tragedie. Een abstract – dat wil zeggen: vreemd aan rede en berekening – edel sentiment leidt onvermijdelijk tot zelfverloochening en zelfs zelfmoord. Men kan hier morele troost vinden, maar de werkelijk edele simpele ziel dient in de regel – zonder het zelf te weten en onbewust – als een handig instrument van het kwaad en de kwelling in het web van verraderlijke omstandigheden.

Niet minder verraderlijk wat de gevolgen betreft, is de tegenovergestelde oplossing. De gewoonte om de voorkeur te geven aan de rigoureus wiskundige berekening of inschatting van alle omstandigheden (wanneer de omstandigheden in strijd zijn met het geweten) leidt uiteindelijk tot moreel faillissement. Alles is goed en wel wanneer de berekeningen foutloos zijn. Maar aangezien het uiteindelijk onmogelijk is om volledig rekening te houden met een eindeloze stroom van dialectisch verweven omstandigheden, zal de berekenende mens vroeg of laat onvermijdelijk een misrekening maken en daarmee een morele overtreding begaan, die in het proces als iets onwezenlijks wordt gepasseerd.

De dialectische “zelfverloochening” (dat wil zeggen “zelfmoord” van het gegeven principe en zijn drager) in subjectieve zin is, dat is zeker nog erger. Want een misrekening in combinatie met een misdaad tegen de elementaire normen van fatsoen leidt tot een resultaat dat onder andere wordt ervaren als morele vergelding ... als de ineenstorting, de totale verplettering van de persoonlijkheid.

Het is inderdaad één zaak – de magnifieke innerlijke ondergang van Don Quichot – en iets heel anders – de zelfmoord, ingegeven door afschuw en zelfverachting, van Smerdyakov (een van de hoofdpersonen in Dostojevski’s De gebroeders Karamazov). De geest, die de elementaire eisen van de moraal aan zijn laars lapt, eindigt als een domme bedrieger, een frauduleuze onwetende, die deze ondraaglijke toestand – zowel voor de “geest” als voor het “geweten” – erkent, waarin hij zichzelf heeft gebracht krachtens zijn principes. Er werd vertrouwen gesteld in een abstract principe, maar dat vertrouwen werd beschaamd.

Don Quichot – dat is gemakkelijker. De “omstandigheden” waarmee hij geen rekening hield – en niet in zijn calculatie wilde opnemen – bleken sterker te zijn. Een trieste gang van zaken, maar wat kun je eraan doen? Don Quichot zal echter voortleven in de dankbare herinneringen van al diegenen die vroeg of laat daadwerkelijk hun “omstandigheden” zullen veranderen.

Zo’n uitkomst is makkelijker, hoewel het niet de meest aangename is. Het resultaat voor Socrates, het resultaat voor Giordano Bruno.

Aan de andere kant hebben we Smerdyakov, Rudolf Hess, Julius Streicher.

Als er een nederlaag moet zijn, verdient het eerste de voorkeur, hoewel eenzijdig en hulpeloos tegenover de verpletterende omstandigheden, maar dan tenminste gerechtvaardigd door de nobelheid van het principe.

Maar beide leiden tot nederlaag, tot ondergang, tot dialectische zelfontkenning. Er moet een positiever uitweg worden gezocht.

* * *

Vanuit marxistisch oogpunt kan een volledige oplossing voor het probleem uitsluitend worden gevonden door “de omstandigheden menselijk te maken”, het gehele netwerk van omstandigheden zo te organiseren dat het probleem verdwijnt, zodat niemand ooit hoeft te kiezen tussen de eisen van het “geweten” en de dictaten van de “rede”, zodat de omstandigheden zelf activiteiten en daden dicteren (en de “geest” waarneemt), in overeenstemming met de belangen van alle andere mensen.

Het geheel van maatschappelijke relaties, maatschappelijke “omstandigheden” georganiseerd op basis van dit principe, wordt communisme genoemd. Communisme in deze zin is de enige mogelijke, enige denkbare, theoretisch geldige en volledige oplossing voor het probleem zoals dat in dit boek is geformuleerd. Maar de relatie tussen wetenschap en moraal is maar één, slechts een gedeeltelijke uitdrukking van het fundamentele probleem van onze tijd: de communistische omvorming van alle maatschappelijke relaties tussen mensen. Alleen op basis van een oplossing van dit probleem zullen we uiteindelijk een oplossing vinden voor het conflict tussen onpartijdige wetenschap, gezuiverd van alle “sentimenten”, en humanisme. Er is geen andere oplossing. Zonder de overkoepelende oplossing zal ons conflict steeds scherper worden, zullen de twee polaire principes nog verder uit elkaar groeien en in een scherpere scheiding vervallen.

Het kapitalistische systeem heeft slechts één vooruitzicht: verergering van het probleem – de antinomie tussen de eisen van menselijkheid enerzijds en kille calculatie, vreemd aan het authentiek wetenschappelijk humanisme anderzijds. De cultuur van het burgerlijk-kapitalistische systeem splitst zich onverbiddelijk langs deze twee lijnen, die beide even catastrofaal zijn voor het bestaan van de beschaving. Deze twee polen staan tegenover elkaar in lang gevestigde en gekristalliseerde beelden.

De ene is het “abstracte humanisme”. Nobel, maar machteloos tegenover de “kracht van de omstandigheden”; veroordeeld tot het lot van een lam naar de slachtbank – neigen de intellectuelen in het Westen ertoe deze stroming te steunen. Soms ontaardt dit standpunt in bloemrijke zinnen en zinloos geklets. Op andere momenten zet het aan tot een esthetisch getint anarchisme, tot opstand. Soms dwingt het iemand om te luisteren naar de oplossing die wordt geboden door de langetermijnperspectieven van het communisme.

De andere pool is het “sciëntisme” (ook vrij wijdverbreid in het Westen), dat wil zeggen de duidelijke afwijzing van alle humanistische principes, bestempeld als “onwetenschappelijke sentimenten”, als “poëzie en fictie”. Het sciëntisme is de humanistische ontmanning van de wetenschappelijke geest, die is veranderd in een nieuwe God, een nieuwe Moloch, aan wie, als hij dat wenst, tienduizenden, duizenden, miljoenen en zelfs honderden miljoenen mensen moeten worden geofferd.

Deze nieuwe absolute geest – de “wetenschappelijke geest” ten koste van alles – heeft al lang zijn priesters. Een van hen verklaarde tevreden, toen hij het nieuws van de vernietiging van Hiroshima hoorde: “Wat een schitterend experiment in de natuurkunde!”

Gezien het voortbestaan van een dergelijke wereld van “omstandigheden”, georganiseerd op basis van privé-eigendom en het principe van concurrentie, is er geen oplossing.

De enige oplossing is volgens Marx en Lenin de strijd van alle werkende mensen (handarbeiders én intellectuelen) voor het realiseren van de omstandigheden die garanderen dat het “vervloekte probleem” verdwijnt, van de tragische polarisatie van de geestelijke cultuur in twee vijandige kampen – de ontmenselijkende “wetenschappelijke geest” en het humanisme van Don Quichot, verstoken van een wetenschappelijke grondslag. Concreet verwijzen we naar de strijd om het privé-eigendom uit te bannen en het communisme te vestigen.

* * *

De auteurs van dit boek baseren hun standpunten op dit marxistische uitgangspunt. Geen van hen stelt het probleem op een puberale manier: “Wat is beter, sciëntisme of abstract humanisme?” of: “Wat is erger, ‘het onredelijke geweten’ of de ‘gewetenloze geest’?” We begrijpen allemaal dat beide onaanvaardbaar zijn, dat wil zeggen “erger”.

Alle auteurs zijn van mening dat hoge morele normen in de menselijke verhoudingen (dat wil zeggen: humaniteit) op aarde alleen kunnen zegevieren met de hulp en steun van de wetenschap, en omgekeerd, dat de wetenschap zich alleen langs het pad van universeel-historische ontdekkingen kan ontwikkelen als zij gericht is op het welzijn van iedereen, als zij haar koers consequent bepaalt aan de hand van het kompas van de humaniteit. Alle auteurs van dit werk stellen een beredeneerde moraal voor, of, met andere woorden, de morele ontwikkeling van de geest.

Alle auteurs begrijpen goed dat de primaire taak van het socialistische systeem, zoals vermeld in het CPSU-programma, bestaat uit de opvoeding van mensen – zowel wetenschappers als leken – in de geest van de harmonieuze ontwikkeling van zowel het wetenschappelijk intellect als de hoogste morele principes, in de geest van eenheid. De combinatie in ieder mens van deze twee even belangrijke elementen van de geestelijke cultuur is een taak die nog voltooid moet worden. Hoe kan dit sneller en gewetensvoller worden volbracht? Hoe kunnen de restanten van de antinomie tussen “verstand” en “geweten”, ons nagelaten als erfenis van de burgerlijk-kapitalistische orde, sneller en vollediger worden uitgebannen?

De auteurs hebben geprobeerd dit probleem aan te pakken. Wat het doel van de discussie betreft, zijn zij het eens. De waargenomen verschillen hebben betrekking op de middelen om dat doel te bereiken. Ze kunnen worden beschreven als verschillende nuances in een benadering van de oplossing van een bepaald probleem: hoe kan het “redenerende geweten” of de “gewetensvolle rede” in ieder mens getrouw gestimuleerd? De alternatieven: het humanistisch georiënteerde wetenschappelijke oordeel of een rationeel handelend humanisme, een gehumaniseerde wetenschappelijke geest of een wetenschappelijk doordrongen humanisme. Deze alternatieven zijn, finaal, één en hetzelfde. De auteurs zijn het op dit punt eens, we vinden geen bron van onenigheid.

Maar misschien is er, gezien deze overeenstemming, niets dat de aandacht van de lezer weet vast te houden, geen serieuze meningsverschillen?

Misschien hebben beide groepen schrijvers (en het is niet moeilijk op te merken dat elk van hen naar een van de twee posities wordt getrokken, waarbij elke positie hetzelfde argument laat zien) het verband tussen hun argumenten uit verschillende uitgangspunten getrokken. Sommigen willen het oplossen door middel van “humanisering van het wetenschappelijk denken”, willen het koude theoretische intellect voorzien van een “waardeoriëntatie”. Anderen willen daarentegen de humaniteit uitrusten met de kracht van het wetenschappelijk inzicht en de macht van het theoretische intellect, om de humaniteit te voorzien van een “wetenschappelijk tool”. Beide groepen verrichten daarbij goed werk. Wie een wetenschappelijke achtergrond ontbeert, moet worden voorzien van de basisbeginselen; wie een moreel kader ontbeert, moet bovenal worden aangemoedigd in de morele verhoudingen (zonder natuurlijk een wetenschappelijke opleiding te veronachtzamen). In het ene geval moet de wetenschap worden bijgebracht in een moreel “gecultiveerde” bodem, in het andere moeten morele principes worden ingeprent in een wetenschappelijk onderlegde geest. Beide polen van het theoretische kader zijn dus gerechtvaardigd, correct en goed, maar in verschillende opzichten.

Als het geschil zelf niet is opgelost, kan men dan niet stellen dat “waarover de filosofen in dit geval discussiëren” een schijnbare tegenstrijdigheid is?

Dat lijkt zo. Het lijkt erop dat de antinomie is verdwenen en gebleken is “een tegenstrijdigheid van verschillende verhoudingen” te zijn. M.a.w., elke partij heeft gelijk ten opzichte van het ene object (de categorie mensen die zij voor ogen had) en ongelijk ten opzichte van het andere. Als dit zo is, kan de lezer het boek gerust terzijde leggen en het onderzoek staken. De tegenstrijdigheid is een formele, verbale gebleken. Laat degenen die plezier beleven aan dit soort problemen het geschil voortzetten.

Laten we echter beter naar de kwestie kijken. Kunnen we in de kleine lettertjes van de gegeven formele tegenstrijdigheid niet iets meer wezenlijks vinden?

Dus de eerste oplossing: voeg een dosis wetenschap toe aan het humanisme.

De tweede: humaniseer de wetenschappen, richt ze op humanitaire, nobele doelen en “waarden”.

Laten we proberen de premissen te verduidelijken die impliciet in deze stellingen zitten, en die zonder nadenken als gegeven worden aanvaard. Zullen we in deze premissen niet een authentieke, in plaats van louter verbale dialectische tegenstrijdigheid verborgen vinden?

De eerste oplossing, die de nadruk legt op de wetenschappelijke “uitrusting” van de menselijke psyche (zowel van wetenschappers als van leken), gaat uit van de stilzwijgende veronderstelling dat de meerderheid van de mensen in moreel opzicht al voldoende ontwikkeld is , zodat er alleen nog maar een apparaat van wetenschappelijke begrippen of “geletterdheid” hoeft te worden aangereikt om het eerder genoemde doel te verwezenlijken.

De tweede oplossing stelt daarentegen dat mensen (of in ieder geval mensen die zich bezighouden met wetenschappelijke disciplines) wat de wetenschap betreft de top al hebben bereikt en dat als er iets ontbreekt, dit een duidelijke en onbetwistbare “waardeschaal” is, een zekere morele (of, strikt genomen, ethische) regulator. Door de wetenschapper te voorzien van een schaal van “waardeoriëntatie” zullen we alles op orde brengen, en zal de wetenschap de mensheid uitsluitend welzijn en geluk brengen; rampen en schade zullen voor altijd worden uitgebannen ...

Is de lezer tevreden met deze oplossing?
Wij vrezen dat elke oplossing een uiterst beperkt toepassingsgebied heeft. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de moreel onberispelijke, ethisch aantrekkelijke, maar helaas halfgeletterde persoon; en dit is het geval bij de “academicus” die zichzelf heeft opgewerkt tot het morele niveau van een hottentot. Bestaan er werkelijk zulke gevallen? Helaas, ja. Maar, het toeval wil, het zijn zeldzame vogels, net als alle “zuivere” uitersten. De twee hierboven genoemde strategieën (en de theorieën die eraan ten grondslag liggen) zijn in deze gevallen wellicht toepasbaar. Zeldzaamheid is hier niet het enige punt; deze personen zijn zelf terminale gevallen. De ambulance van de theorie kwam in dit geval veel te laat ter plaatse.

De hoogontwikkelde wetenschappelijke geest, ingeprent in een mens met het morele niveau van een primitieve psyche, kan nauwelijks worden omgevormd tot een menselijke en humane geest (met name door het bijbrengen van “waardecategorieën”). Aan de andere kant is het voor de moreel integere, goede, eerlijke en onbaatzuchtige persoon zonder hogere opleiding waarschijnlijk te laat om nog een wetenschappelijk en theoretisch intellect van het hoogste niveau te ontwikkelen.

Een theoretisch begrip van de verhouding tussen “de wetenschappelijke geest” en “moraliteit” kan zich daarom niet bezighouden met deze exclusieve situaties, noch mag het zich daarop richten. Een theoretisch begrip kan alleen worden verkregen door de analyse van massafenomenen en moet toereikend zijn om gevallen en problemen op te lossen die op grote schaal voorkomen. Als dit zo is, dan kan elk van de hierboven schematisch gepresenteerde oplossingen voor het probleem als geheel als onvolmaakt worden beoordeeld.

Natuurlijk moet men trachten in ieder mens beide kwaliteiten te bevorderen – zijn theoretisch intellect te ontwikkelen zonder zijn morele opvoeding en stimulatie van zijn humaniteit te vergeten. Maar zo’n correcte praktische “oplossing” zegt niets over ons punt: zijn deze elementen van een authentieke geestelijke cultuur in wezen intern met elkaar verbonden? Misschien zijn er verschillende – zeker van identiek belang – maar niettemin onderling onafhankelijke en autonoom gecultiveerde middelen waarmee een individu relaties kan onderhouden met de wereld om hem heen en met andere mensen.

Als dit zo is, dan is de wetenschap een objectief beeld van de wereld, volkomen ontdaan van alle “gevoelens”. Dit beeld is zowel sociaalhistorisch als naturalistisch en moet grondig worden gezuiverd van de geringste vermenging met het “subjectief-menselijke”. Het geeft de wereld om ons heen weer zoals die is en leert ons over onze eigen biologische structuur – waarbij wordt aangetoond hoe de wereld en het leven als zodanig zich onafhankelijk van ons bewustzijn, onze wil, sympathieën en antipathieën, verlangens en strevingen hebben ontwikkeld. Wat betreft de vraag hoe we met de wereld moeten omgaan, hoe we onze wetenschappelijke en theoretische kennis van de omgeving gebruiken, is dit, als we de redenering van een dergelijke interpretatie van de wetenschappelijke geest volgen, een vraag van een andere orde. Met andere woorden, het gaat om de morele “waarden” die we bij de mens willen bevorderen. Maar “waarden” interpreteren niet wat is, maar wat zou moeten zijn. We bevinden ons, nauwkeuriger gezegd, in het rijk van idealen en dromen, of die nu verheven of bekrompen, nobel of egoïstisch zijn. In ieder geval hebben we te maken met criteria die een subjectieve evaluatie geven van puur objectieve omstandigheden, dingen, situaties en gebeurtenissen; door de wetenschap beschreven.

In zijn klassiek heldere en consistente vorm wordt een dergelijke relatie tussen “zuivere rede” en de “stem van het geweten”, als tussen twee even belangrijke maar in wezen heterogene manieren om de wereld van de verschijnselen waar te nemen, gepresenteerd in de filosofie van Immanuel Kant.

De wetenschap beschrijft onpartijdig wat is; de theoretische rede in haar “zuivere” staat heeft noch het recht, noch de middelen om te beoordelen of iets “goed” of “slecht” is vanuit het oogpunt van het “welzijn van de menselijke soort”, van haar “zelfvervolmaking”. Juist om deze reden was Kant van mening dat de “zuivere rede” moet worden aangevuld met een absoluut onafhankelijke en autonome morele regulator, de “categorische imperatief”, die noch wetenschappelijk kan worden bewezen, noch weerlegd. Deze categorische imperatief moet op geloof worden aanvaard. Zonder blind geloof in deze morele regulator kan de “zuivere” (wetenschappelijk-theoretische) rede even gemakkelijk het goede als het kwade dienen; op zichzelf is zij tot elke handeling in staat en neutraal in de strijd tussen goed en kwaad. In de praktijk betekent dit: er moet een toom of morele beperking aan de wetenschappelijke reflectie worden aangebracht. Een dergelijke toom zal helpen de wetenschap te sturen en haar onderzoek te richten.

Het is niet moeilijk te zien dat voor Kant de theoretische oplossing voor de opgeworpen vraag door de verhouding tussen “zuivere” en “praktische” rede, d.w.z. tussen de wetenschap en de “stem van het geweten” – de “morele regulator” – voldoende gedefinieerd is. Kant stelt niet simpelweg dat het “intellect” (verstand) en het “geweten” (de wetenschappelijke en morele aspecten van de menselijke psyche) van gelijk belang zijn, elkaar aanvullen en, afzonderlijk, ontoereikende oriëntatiemiddelen voor het individu vormen. Als Kant zich hiertoe had beperkt, zou hij triviale stukjes wereldwijsheid hebben verkondigd, waartegen niemand de moeite had genomen bezwaar te maken. Elk individu (op voorwaarde natuurlijk dat hij geen verstokte schurk of een massieve domkop is) probeert voortdurend zijn gedachten en daden in overeenstemming te brengen, zowel met de conclusies van het verstand als met de eisen van de moraal. Het probleem kan hier niet precies worden vastgesteld.

Het ontstaat veeleer wanneer het verstand en de moraal (wetenschap en zedelijkheid) met elkaar in conflict komen in een onoplosbare antinomie, wanneer zij van het individu diametraal tegenovergestelde beslissingen verlangen. In dergelijke gevallen kent Kant het recht toe op een onvoorwaardelijk oordeel, op een definitieve beslissing over wat vanuit een hoger standpunt juist of onjuist is – precies aan het morele principe. Voor Kant is dit standpunt theoretisch gegrondvest op het oordeel dat het verstand (de theoretische rede) fundamenteel niet in staat is om volledig rekening te houden met de eindeloze opeenvolging van omstandigheden die van invloed zijn op de oplossing van een taak, dat de “stem van het geweten” op een of andere wonderbaarlijke wijze in feite in staat is om op integrale wijze, onmiddellijk en zonder analytisch in details te gaan, het volledige beeld van deze eindeloze reeks te vatten. Als de rede dus botst met het geweten, duidt dit erop dat de eerste iets essentieels buiten beschouwing heeft gelaten, dat uiteindelijk, uit de schaduwen van het onbekende tevoorschijn gekomen, haar berekeningen teniet zal doen.

Daarom wordt het morele principe van de categorische imperatief door Kant boven de wetenschap geplaatst als een criterium voor een hogere waarheid dat absoluut onafhankelijk is van haar overwegingen en volledig autonoom is. Op zijn beurt is de ontwikkeling van de wetenschap afhankelijk van de dictaten ervan. Dit betekent verder dat de wetenschap (het intellect) wordt uitgeroepen tot een middel om morele doelen te verwezenlijken, een wijze voor de concretisering (belichaming) van morele principes.

Dit kan concreet als volgt worden weergegeven: als de “zuivere rede” (wetenschap) in een toestand van antinomie is beland, dat wil zeggen, als er twee theorieën, twee scholen of twee opvattingen ontstaan, die elk even logisch zijn als hun tegenstander, en elk even goed gefundeerd in termen van de gegeven hedendaagse stand van kennis als de andere, dan zal de beslissing over welke juist en welke onjuist is, niet aan de wetenschap worden overgelaten (want deze is niet in staat een uitweg uit deze situatie te vinden), maar veeleer aan de ethiek. Deze laatste zou aantonen welke van de twee elkaar uitsluitende theorieën moet worden ondersteund en verder ontwikkeld en welke als kwaadwillig moet worden verboden.

De arbiter velt bovendien een dwingend oordeel en wordt in dergelijke geschillen tussen wetenschappers wat men een priester van de moraal zou kunnen noemen, die de wetenschap van buitenaf beoordeelt.

Zou het echter kunnen dat het probleem op precies de tegenovergestelde wijze wordt opgelost? Misschien moet de wetenschap niet worden aangemerkt als de dienares van de ethiek (de vorm waarin morele idealen gestalte krijgen); integendeel, de moraal zou het middel moeten worden om wetenschappelijk bewezen gedragsregels in te prenten, dat wil zeggen dat de wetenschap het recht moet krijgen om de moraal te sturen. In een dergelijk geval wordt de moraal een vorm van de psyche die is afgeleid van de “zuivere rede”. Hier wordt de moraal, zowel qua essentie als qua oorsprong, geïdentificeerd met wetenschap, uitsluitend uitgedrukt in de taal van imperatieve (in plaats van declaratieve) uitspraken. Laten we zeggen dat de wetenschap heeft vastgesteld dat de “menselijke natuur” specifieke kenmerken toont. De ethiek vertaalt dit feit op de volgende manier: “Je bent een mens, daarom moet je dit en dat doen.” De ethiek zou zich in een dergelijk geval uitsluitend op taalkundige wijze onderscheiden van wetenschappelijke reflectie, door de uitsluitend imperatieve vorm van de zin die uitdrukking geeft aan diezelfde waarheden, vastgesteld door de wetenschap. De ethiek wordt hier een vorm van verwezenlijking van een wetenschappelijke benadering.

Dit alternatief is ook een theoretisch alternatief, geen “uit dat, volgt dit”. Het is gemakkelijk te zien dat het in een directe tegenstelling staat tot de kantiaanse oplossing. In de laatste stuurt de ethiek de ontwikkeling van de wetenschap, in de eerste stuurt de wetenschap de ontwikkeling van de ethiek en de moraal. Op het eerste gezicht lijkt een dergelijke oplossing redelijker dan die welke Kant voorstond. Wetenschappers zijn meer geneigd het tweede alternatief te aanvaarden. Misschien kunnen wij onze zaak er ook op baseren?

De voordelen van een dergelijke oplossing zijn onbetwistbaar. Ze vertegenwoordigen de voordelen die de wetenschappelijke geest heeft ten opzichte van blind geloof in de kracht van morele “waarden”, in de kracht van “het goede”, in de triomf van “het welzijn van de mensheid”, evenals andere nobele maar, als gevolg van hun abstractheid, dubbelzinnige referentiepunten. Zowel “het goede” als “het welzijn van de mensheid” kunnen immers op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Hier begint immers precies dezelfde dialectiek die we aantreffen in de sfeer van de “zuivere rede”.

Niettemin lijkt het ons dat deze oplossing niet zo onfeilbaar is, ondanks het feit dat ze dichter bij de waarheid ligt dan de voorstellen van Kant. Het wekt argwaan dat deze oplossing het spiegelbeeld is van die van Kant. Ze vertonen dezelfde overeenkomsten en verschillen die we aantreffen tussen een fotografisch negatief en een positief. In het ene geval evolueert het wetenschappelijk denken in de richting die door de ethiek wordt gesuggereerd, in het andere geval wordt de moraal geconstrueerd en herzien om te voldoen aan de instructies die “volgens de wetenschap” worden gegeven.

Dat laatste zou een prachtige oplossing zijn, maar alleen op voorwaarde dat het begrip (wetenschap) absoluut zou zijn in termen van onfeilbaarheid, om het nogmaals te zeggen, vrij van fouten. Kort gezegd zou het wetenschappelijke begrip al die eigenschappen van goddelijke volmaaktheid moeten bezitten die er respectievelijk door Plato en Hegel aan worden toegeschreven. Het hegeliaanse “Absolute Idee” is in wezen niets anders dan het “vergoddelijkte wetenschappelijke begrip” waaraan alle eigenschappen van God worden toegekend.

Wetenschap is prachtig; we hopen dat de lezer niet het vermoeden koestert dat we er geen respect voor hebben. De “vergoddelijking van de wetenschap” (vergoddelijking van het begrip) is, zoals elke vergoddelijking, een andere zaak. Zij (natuurlijk niet de wetenschap zelf, maar haar geautoriseerde vertegenwoordigers) begint zichzelf voor te stellen als de maker, niet alleen van de moraal, maar ook van de wet, van politieke systemen, van grootschalige historische gebeurtenissen, van steden, tempels, standbeelden, in het algemeen van de gehele menselijke geschiedenis. Het “vergoddelijkte begrip” begint de geschiedenis te beschouwen als zijn eigen werk, zijn eigen schepping; een “empirische wereld” die tot stand is gebracht door zijn almacht en scheppende kracht. Als we deze gedachtegang volgen, realiseert de historische mens in zijn daden en aangelegenheden, vaak volkomen onbewust, de ontwerpen van het “Absolute Idee”, dat wil zeggen van de (onder die naam) vergoddelijkte logica van de wetenschappelijk-theoretische reflectie.

Als het absolute begrip via zijn priesters verkondigt dat de mens zijn dienst aan het absolute heeft volbracht en dat het heeft besloten een geperfectioneerd instrument te creëren om zijn wil te belichamen, laten we zeggen een “denkende machine”, een kunstmatig intellect met vermogens die die van het menselijk brein overtreffen, dan zullen mensen zich onvoorwaardelijk moeten onderwerpen aan het bevel van het absolute en zichzelf naar het offer leiden, in het besef van hun onvolmaaktheid, feilbaarheid en biologisch opgelegde beperkingen. Dit is de logica van het standpunt dat we hebben geschetst, tot in zijn consequenties doorgevoerd.

Hieraan moet worden toegevoegd dat de hegeliaanse variant van een vergoddelijkt begrip of logisch idee niettemin menselijker was dan de nieuwste godheid op het altaar (de verering van het cybernetisch-wiskundige begrip). Bij Hegel verleende God-Logos de mens nadrukkelijk het recht om op te treden als instrument van zelfkennis en zelfbewustzijn, van “objectivering” en “de-objectivering”. Heinrich Heine kwam op basis van gesprekken met Hegel zelf tot de conclusie dat diens filosofie wijst op een humanitaire stelling: de mens is in feite de enige God, althans op aarde. De mens als denkend wezen is de God van deze wereld. De door logica geleide mens is de schepper van de geschiedenis en haar volledig bevoegde “rentmeester”. Hem moeten de teugels van het bestuur over menselijke aangelegenheden worden overgedragen. Het is juist hij, de dialectisch denkende theoreticus, die vanaf dit punt de hogepriester van God moet zijn – d.w.z., van het zichzelf voortstuwende Absolute Idee. Hegels God is de God van de theoreticus die gelooft in de kracht van het Idee, dat wil zeggen, van het logische schema dat aan de ontwikkeling van de wetenschap wordt opgelegd. Toch is het een God, met alle daaruit voortvloeiende ongewenste gevolgen voor de mensheid.

Hoe meer de mens aan God overdraagt, hoe minder hij voor zichzelf overhoudt. Hoe meer God zich toe-eigent, hoe meer hij “vervreemd” raakt van de levende mens. Bovendien verwijst de “vervreemde” (d.w.z. de vergoddelijkte) rede anderzijds naar de “vervreemde” (met inbegrip van het domein van de rede, de wetenschap – het Idee) mens. Met de vergoddelijking van de wetenschap hebben we (net als in de hegeliaanse filosofie) te maken met een mystificerende omkering van hun werkelijke verhoudingen. Om precies te zijn: de mens heeft de wetenschap geschapen en blijft deze scheppen, maar dan blijkt dat het niet de wetenschap is die het welzijn en geluk van de mensheid dient, maar juist het tegenovergestelde. De mensheid wordt ingezet ten dienste van de wetenschap en wordt de gehoorzame uitvoerder en zelfs slaaf van haar despotische ontwerp. Dit is prima wanneer het ontwerp authentiek wetenschappelijk is (veritas in de hoogste zin van het woord). Maar als dit niet het geval is?

De wetenschap, eenmaal vergoddelijkt, wordt niet alleen despotisch en intolerant, maar ook volkomen onbekwaam tot zelfkritiek. Het spreekt voor zich dat we niet verwijzen naar de wetenschap zelf, want op zichzelf is zij verstoken van bewustzijn en wil, maar veeleer naar de gevolmachtigden, individuele en soms zeer gezaghebbende wetenschappers. Zij spreken immers niet uit persoonlijke overtuiging, maar in naam van de wetenschap. Mensen respecteren de wetenschap, en daarom verhult de algemene uitdrukking “in naam van de wetenschap” soms de ware aard van bepaalde ideeën die onder deze vlag paraderen, maar in werkelijkheid niets gemeen hebben met humanisme of met de authentieke wetenschappelijke geest.

Het is nog erger wanneer een moreel inferieur persoon de wet begint voor te schrijven in naam van de wetenschap. Toen Truman opdracht gaf de bom op Hiroshima te laten vallen, was dit blijkbaar een ontoereikende maatregel voor één wetenschapper. Hij stelde voor Hiroshima nog “wetenschappelijker” te vernietigen, namelijk door vooraf veelkleurige lichtraketten boven de stad te droppen. De stedelingen zouden omhoog kijken naar dit merkwaardige schouwspel, en precies op dat moment zou de atoombom ontploffen. Het resultaat zou massale blindheid zijn – voor de overlevenden. Zo zou het “fysica-experiment” naar zijn mening compleet zijn en de “kracht van de Amerikaanse wetenschap” op een treffende manier aan de wereld demonstreren. En degenen die Hitlers mobiele gaskamers ontwierpen en bouwden, waren tenslotte ook wetenschappers ...

Natuurlijk is het een droom die alleen een zeer naïeve humanist waardig is, om te denken dat soortgelijke wetenschappelijke toepassingen kunnen worden voorkomen door een “morele verlichting” van zulke “wetenschappers”, door hen kennis te laten maken met een “op het goede gerichte waardeoriëntatie” en door de verspreiding van een “schaal van morele waarden”.

De verafgoding van de wetenschap is een oplossing die niet beter is dan die welke Kant aanbood. De macht van de wetenschap moet worden gerespecteerd, maar in geen geval vergoddelijkt.

Moraal noch wetenschap kan de “hogere waarde” zijn op de waardeschaal in de menselijke beschaving. Moraal en wetenschap zijn altijd middelen, tools, instrumenten geweest, ontworpen door de mens voor eigen gebruik, om zijn heerschappij over de natuur te vergroten en maatregelen te ondersteunen die het menselijk geluk bevorderen. Als wetenschap en moraal daarentegen de onderdrukking, verminking, misvorming en zelfs uitroeiing van levende mensen gaan ondersteunen, d.w.z., als ze niet alleen in een tegenpool, maar ook in een dodelijke vijand van het humanisme veranderen, dan getuigt dit voor de marxist bovenal van de onmenselijke, antihumanistische aard van dat systeem van relaties tussen mensen dat de verhoudingen tussen wetenschap, moraal en de mens perverteert. Met “de mens” bedoelen we de massa’s – de werkende mensen, zowel de fysieke als de intellectuele arbeid – en niet een abstracte “mensheid in het algemeen”.

Het marxisme vertegenwoordigt een hogere vorm van humanisme, omdat het de idolatrie (of zoals ook wel wordt gezegd, “vervreemding”) verwerpt van welke geïnstitutionaliseerde vorm van menselijke activiteit dan ook, inclusief die van de wetenschap (met andere woorden, activiteit van wetenschappelijk-theoretische aard, professioneel geïsoleerd van de meerderheid van de mensen: logische reflecties, omgezet in een beroep, in de fulltime bezigheid van een min of meer kleine groep individuen – wiskundigen en logici van beroep, enz.). Dit doet geenszins afbreuk aan het belang van de wetenschap of aan het diepe respect voor een wetenschap gegrondvest op het dialectisch-materialistische wereldbeeld, want dit laatste is het meest wetenschappelijke wereldbeeld.

Dit respect sluit de sciëntistische opvatting uit dat mensen “grondstof” zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Sciëntisme is daarom de hedendaagse vorm van antihumanisme. Vanuit het standpunt van het marxisme-leninisme is de wetenschap in wezen (in plaats van in de vertekende en vervreemde beelden waarin zij in de burgerlijke samenleving vaak wordt voorgesteld) een vorm voor de verwezenlijking van humanistische doelen. Het marxistisch humanisme gaat uit van de historisch gerijpte (en wetenschappelijk verduidelijkte) vereisten voor de alomvattende ontwikkeling van de meerderheid (of maximaal – alle mensen zonder uitzondering) van de mensheid.

Dit is in feite de essentie van het communisme. Vanuit dit standpunt is de wetenschap geen vorm voor de verwezenlijking van een abstract humanistisch streven (zoals bij Kant), noch is de ethiek de vorm voor de verwezenlijking van het “logische idee” of “begrip” (zoals bij Hegel). Zowel de wetenschap als de ethiek (een authentieke, humanistisch georiënteerde moraal of morele code) vertegenwoordigen twee vormen van bewustzijn, die één en hetzelfde uitdrukken en realiseren: het concreet en historisch begrepen wezen van mens en wereld, van het leven en het werk van de mens. Daarom kunnen een authentieke wetenschap en een authentiek hoog moreel niveau niet anders dan in hun essentie samenvallen. Ze kunnen niet naast elkaar staan.

Maar wat als ze enkel “in essentie” samenvallen, en in werkelijkheid, in de empirische wereld, vaak met elkaar in conflict komen?

Hier is het geenszins toegestaan om het “morele gevoel” te negeren en de wetenschap ongeacht de omstandigheden volledig te steunen, zoals voorstanders van het sciëntisme stellen. De wetenschap (niet als geheel, dat wil zeggen niet de totaliteit van de wetenschappelijke kennis over de mens en de natuur, maar de geïsoleerde wetenschap, de geïsoleerde theorie) en, meer precies, wetenschappers die in haar naam spreken, zijn inderdaad in staat om fouten te maken. Als een afzonderlijke wetenschap plotseling een concept naar voren brengt (met aanbevelingen voortvloeiend uit dit concept) dat in strijd is met de principes van het humanisme, dan zijn we volkomen gerechtvaardigd om aan te nemen dat in het gegeven geval de ultieme waarheid in de moraal te vinden is, dat de betreffende wetenschap op een dwaalspoor is geraakt. Hier is het nuttig om de onfeilbare godin aan een kritische analyse te onderwerpen vanuit het perspectief van haar eigen criteria.

Het marxistische humanisme (of, met andere woorden, het marxistische wereldbeeld en de marxistische logica), dat zijn referentiepunten in de wetenschappelijke kennis als geheel vindt, heeft het voordeel dat het een integrale vertegenwoordiger is van de wetenschappelijke waarheid in de hoogste zin. Het heeft dit voordeel ten opzichte van elke afzonderlijke wetenschap of theorie, hoe schitterend deze wetenschap of theorie in formele zin ook is uitgewerkt. Dit is het beeld van de waarheid, dat voor de wetenschap slechts in dat specifieke geval en in die specifieke betekenis van het woord toegankelijk is, waarbij het woord niet verwijst naar een bepaalde individuele theorie, maar veeleer naar de gehele wetenschappelijk-theoretische cultuur van de mensheid, die vanuit een ontwikkelingsperspectief wordt begrepen. In deze zin, in deze interpretatie, vallen wetenschap en humanisme samen in hun conclusies en formules. Tussen een individuele wetenschap (theorie) en het humanisme kan wel degelijk een conflict ontstaan. Deze tegenstrijdigheid in het voordeel van de gegeven theorie en haar “onfeilbare formules” beslechten, zou op zijn minst onvoorzichtig zijn. Men moet eerst de oorzaak van het conflict vaststellen.

Dit is precies hoe Friedrich Engels de relatie tussen “wetenschappelijke nauwkeurigheid” en “het morele zelfbewustzijn van de massa” beschreef. Hij merkte op dat de wetenschap niet kon steunen op argumenten die waren afgeleid van de moraal, noch haar stellingen kon baseren op argumenten, afkomstig van een “moreel sentiment”.

“Marx heeft daarom zijn communistische eisen nooit hierop gebaseerd, (...) Maar wat economisch formeel fout is, kan daarom in het licht van de wereldgeschiedenis nog wel juist zijn. Als het zedelijke besef van de massa een economisch feit, zoals destijds de slavernij of de vroondienst, als onrechtmatig verklaart, dan is dat een bewijs dat dit feit zichzelf al overleefd heeft, dat andere economische feitelijkheden hun intrede hebben gedaan, waardoor het eerste feit onverdraaglijk en onhoudbaar geworden is. Achter de formele economische onjuistheid kan dus een zeer ware economische inhoud verborgen liggen.” (F. Engels, 1885, voorwoord bij De armoede van de filosofie)

Het “morele sentiment van de massa” blijkt juist te zijn in zijn houding tegenover de “strikte wetenschap”, die er nog niet in geslaagd is de kern van de zaak te doorgronden, net omdat de massa’s werkelijk geklemd zitten in de tegenstelling van twee categorieën hardnekkige feiten. Met andere woorden, het “morele sentiment” – het humanistisch georiënteerde bewustzijn – drukt in het gegeven geval de aanwezigheid uit van een reëel probleem dat zowel theoretisch als praktisch moet worden opgelost, het bestaan van een daadwerkelijke sociale tegenstelling, waarvoor op wetenschappelijke wijze een uitweg moet worden gezocht.

Daarom was het precies Karl Marx – een man met een ontwikkelde moraal en gevoeligheid voor argumenten die voortkwamen uit het morele bewustzijn van de massa – die een authentiek wetenschappelijk probleem zag, waar bekrompen wetenschappers slechts aanleiding zagen voor het uitwerken van een formeel niet-tegenstrijdig begrippensysteem. Het herkennen van een authentiek wetenschappelijk probleem betekent dat je al halverwege de oplossing bent. Daarom is Marx’s Das Kapital, hoewel opgebouwd met een strikt wetenschappelijk raamwerk, niettemin doordrongen van een humanistische kern, dat wil zeggen, een humanistische formulering van het probleem en strekking.

De fundamentele morele inspiratie in Het Kapitaal wordt volledig en nauwkeurig uitgedrukt door de authentieke humanistische stelling: de mens, het levende menselijke wezen, niet geld, noch machines, noch producten of enige vorm van “rijkdom”, is de hoogste waarde en het “scheppende subject” van alle “vervreemde” vormen. Als we Het Kapitaal van dit “morele” principe zouden ontdoen en het onwetenschappelijk zouden verklaren, zou de wetenschappelijke logica die ten grondslag ligt aan dit geniale werk in zijn geheel instorten. Kan men immers een puur “logische” basis geven aan de stelling dat de menselijke arbeid waarde creëert, terwijl het werk van de ezel, hoewel het precies dezelfde arbeid verricht, geen nieuwe waarde creëert?

* * *

Het wetenschappelijk communisme van Marx, Engels en Lenin biedt een interne eenwording van humanisme en wetenschappelijke geest die tot de kern van de zaak doordringt. Dit betekent dat het wetenschappelijk communisme in de eerste plaats zijn referentiepunt vindt in de mens als hoogste waarde; de mens niet op abstracte wijze begrepen, maar als de feitelijke meerderheid van de werkende bevolking. Het vindt zijn oriëntatie in de algemene en fundamentele belangen van de werkende bevolking. Ten tweede vertegenwoordigt het wetenschappelijk communisme van begin tot eind een praktisch en concreet programma voor de verwezenlijking van het humanisme, exact in deze zin begrepen.

Daarom vormt het humanisme geen speciaal “subsysteem” binnen het marxisme, noch vertegenwoordigt het een afzonderlijke “waardeschaal” die autonoom bestaat ten opzichte van het overige wetenschappelijke begrippensysteem.

Hieruit vloeit ook de leninistische definitie van communistische ethiek en communistische moraal voort, evenals het leidende principe: datgene wat de opbouw van de communistische samenleving dient, is moreel. We classificeren als moreel die daad, die manier van denken die steun biedt aan deze nobele zaak. Elk ander begrip van moraal en ethiek vertegenwoordigt zonder uitzondering een burgerlijke leugen die in meer of mindere mate slim is gemaskeerd.

In dit verband wijzen we op de theoretische onhoudbaarheid van de poging om binnen het marxisme een speciaal (autonoom) subsysteem te creëren dat zich bezighoudt met “morele waarden”. Het voorstel om het wetenschappelijk communisme aan te vullen met een speciale “schaal van morele imperatieven”, met “humanistische uitgangspunten”, komt in de regel in het Westen van mensen die persoonlijk sympathiseren met het communisme, maar de marxistisch-leninistische oplossing van het hierin besloten werkelijke probleem fout begrijpen.

Dit probleem is vandaag de dag bijzonder acuut omdat de strijd voor authentiek humanisme, voor het communisme, juist een strijd is. Het is geen gemakkelijke strijd, niet alleen een ideologische strijd, maar soms zelfs bloedig. Deze laatste wordt gevoerd tegen een vijand die bereid is de meest extreme en onmenselijke maatregelen te nemen; in deze strijd wordt het oude conflict tussen de “waarden van het humanisme” en de noodzaak om deze in naam van dit humanisme te schenden dagelijks, zo niet elk uur, hernieuwd. Er ontstaat de typische dialectische situatie waarin de authentieke humanist (in tegenstelling tot de “mooiweer-humanist”) soms gedwongen wordt geweld te gebruiken tegen een ander mens. Soms ontwikkelen de omstandigheden zich zodanig dat de authentieke humanist gedwongen wordt zijn toevlucht te nemen tot bedrog en list (bv. tijdens ondervragingen in fascistische martelkamers). Ook hier worden bedrog en list toegepast in naam van het humanisme, want de waarheid spreken in een dergelijke omgeving zou een veel gruwelijker en meer immorele daad zijn dan liegen. Hier is geen sprake van een theoretisch probleem, maar louter van een kwestie van persoonlijk uithoudingsvermogen en morele standvastigheid bij het nastreven van hoge morele principes.

Het echte en zeer moeilijke probleem, dat om een duidelijke theoretische oplossing vraagt, ligt elders. Is het toelaatbaar om de formule: “wat de overwinning van het communisme dient, is moreel” zo te interpreteren dat in naam van deze grote zaak “alles is toegestaan”, dat er hier geen beperkingen van morele aard worden opgelegd en ook niet kunnen worden opgelegd? Of zou men kunnen stellen dat zelfs hier niet alles “toegestaan” is?

Is er in het algemeen een grens waarboven een afwijking, gedwongen door extreme omstandigheden, van de abstracte algemene normen van menselijkheid, in naam van en ter wille van de triomf van een concreet en historisch begrepen humanisme, wordt omgezet in – in volledige overeenstemming met de dialectische wetten – een misdaad tegen het doel zelf ter wille waarvan de daad werd ondernomen? Om het duidelijker te zeggen: kan deze fatale grens worden bepaald? Want die bestaat altijd ergens. In werkelijkheid vormt deze grens de grote scheidslijn tussen het authentieke communisme van Marx, Engels en Lenin en die “linkse” doctrines die de marxistische morele formule interpreteren als een indicatie dat “alles is toegestaan”. Het is één ding om te begrijpen dat geweld en moord onvermijdelijke handelingen zijn die worden opgeroepen door de extreme omstandigheden die gepaard gaan met de dodelijke klassenstrijd, handelingen waartoe de revolutionair zijn toevlucht moet nemen, zich ten volle bewust van hun onmenselijkheid. Het is iets heel anders om deze activiteiten te beschouwen als de optimale, veiligste en zelfs de enige methode om “geluk” op aarde te vestigen. Zowel Marx als Lenin keurden geweld moreel alleen goed in de meest extreme omstandigheden, en dan nog slechts op minimale schaal, namelijk wat absoluut noodzakelijk is.

Lenin schreef dat communisten tegen gebruik van geweld tegen mensen in het algemeen zijn en dat zij slechts hun toevlucht nemen tot dwang wanneer dit hun wordt opgelegd door authentieke aanhangers van geweld. De enige rechtvaardiging voor geweld is, als een middel om het geweld te bestrijden, als geweld tegen de geweldenaars, maar niet als middel om de wil van de meerderheid van de werkende bevolking te beïnvloeden.

Daarom zijn communisten nooit de initiatiefnemers van acties zoals oorlog of het “exporteren van revolutie” onder dreiging van de bajonet. Lenin heeft zich altijd categorisch en consequent verzet tegen “linkse” ideeën van dit type. In zijn opvatting is de wetenschappelijke geest van het communisme altijd onlosmakelijk verbonden met het principe van menselijkheid in de directe zin van het woord.

Dit vormt ook het belangrijkste verschil tussen Lenin en die dogmatici die zich het genoegen gunnen om cynisch het aantal mensenlevens op te tellen dat het “waard” is om te betalen voor de overwinning van het wereldcommunisme. ... In de regel zijn dergelijke berekeningen in de wereld van vandaag het werk van mensen die zowel in theorie als in hun moraliteit door primitiviteit worden gekenmerkt.

Om het probleem van het verenigen van hoge morele normen met een maximum aan wetenschappelijke geest op te lossen, moet het probleem allereerst worden bekeken in al de scherpzinnigheid en dialectische complexiteit die het heeft verworven in de moeilijke en tumultueuze tijd waarin we leven. Een eenvoudige algebraïsche oplossing volstaat niet. Het probleem van de relatie tussen moraliteit en de wetenschappelijke geest is door de marxistische filosofie enkel op een algemene wijze opgelost. In concrete situaties daarentegen zal het zich in de nabije toekomst keer op keer voordoen; elke keer zal het een nieuwe en onverwachte wending nemen. Daarom kan er geen eenvoudige of kant-en-klare oplossing zijn voor elk individueel geval van het conflict tussen “verstand” en “geweten”.

Er kan geen eenvoudig recept of wiskundige formule bestaan en toepasbaar alle gevallen. Als je met een conflict van deze aard wordt geconfronteerd, ga er dan niet vanuit dat in elk geval de “wetenschap” juist is en het “geweten” onzin, of op zijn best een sprookje voor kinderen. Het tegenovergestelde is evenmin dichter bij de waarheid, namelijk dat het “morele gevoel” altijd juist is, dat de wetenschap, als zij daarmee in conflict komt, de harteloze en wrede “duivel” van Ivan Karamazov is, die types als Smerdyakov voortbrengt. Alleen door een concreet onderzoek van de oorzaken van het conflict kunnen wij een dialectische oplossing vinden, dat wil zeggen de wijste en meest humane oplossing. Alleen zo kunnen we, om het in hedendaags jargon te zeggen, de “optimale variant” vinden van de overeenstemming tussen de eisen van het verstand en die van het geweten.

Het is zeker geen gemakkelijke zaak om in elk geval een concrete, dialectische eenheid te vinden tussen de principes van verstand en geweten. Helaas is er geen toverstokje, is er geen eenvoudig algoritme, noch van “wetenschappelijke” noch van “morele” aard.